Gerechtshof had geen keus bij vrijlaten van verdachten

AMSTERDAM, 12 JUNI. “Gerechtigheid smaakt het zoetst als zij vers is”, luidt een oude rechtspreuk. Maar wat te doen als het recht op zich laat wachten? Het gerechtshof in Den Haag heeften duidelijke consequentie getrokken en veertig verdachten vrijuit laten gaan omdat het hoger beroep tegen hun veroordeling niet binnen redelijke termijn kan worden behandeld. Afgaand op het kaliber van de in eerste instantie opgelegde straffen waar nu een streep door is gezet (varierend van 250 gulden boete tot 4 maanden gevangenisstraf) gaat het niet om zeer ernstige zaken. Maar de gse beslissing was wel direct goed voor een verontruste reactie uit de Tweede Kamer. Had het gerechtshof echter wel de keus? Het Europese verdrag voor de mensenrechten schrijft ons land bindend voor strafzaken te berechten “binnen redelijke termijn”. Deze norm is ingegeven door een humanitair belang: de verdachte in een strafzaak moet niet te lang in onzekerheid leven. Er staat overigens meer op het spel. Ook de overtuigingskracht van justitieel optreden - naar de verdach toe maar evenzeer naar de samenleving - neemt af met het verstrijken van de tijd. Het wordt dan trouwens ook steeds moeilijker de feiten behoorlijk vast te stellen. Wat precies redelijk is wordt er niet bij gezegd. Dat hangt bijvoorbeeld af van de ingewikkeldheid van een zaak (wat niet hetzelfde hoeft te zijn als de ernst van aanklacht). De voormalig directeur van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds drs. M. klaagde bij de behandeling van hetoger beroep tegen zijn veroordeling wegens fraude dat het te ver ging dat hij drie jaar en acht maanden had moeten leven onder de druk van een strafrechtelijk onderzoek tot de zaak voor de rechter kwam. Het hof was het met hem eens dat die druk, mede door de intense publiciteit, niet gering was geweest. Toch werd dit tijdsverloop in overeenstemming geacht met de uitgebreidheid van het onderzoek dat dergelijke gecompliceerde kwesties nu eenmaal met zich meebrengen. De verdachte van steunfraude die na het verhodoor de sociale recherche 33 maanden moest wachten op berechting zag zijn zaak in hoger beroep wel alsnog opzij worden gelegd. Hij had nota bene direct bekend en het enige dat de justitie al die tijd had ondernomen was het aanvragen van een reclasseringsrapport. Een dergelijke onnodige en voor niemand begrijpelijke vertraging in de justitiele pijpleiding werd buitensporig geoordeeld. Het Europese voorschrift sluit ook nauw aan bij bestaande normen in ons land. Zo heeft een rechtbank de wettelijke plicht te waken tegen nodeloze vertraging van het onderzoek. De toenemende werkdruk van de rechterlijke macht maakt het echter steeds moeilijker dergelijke stelregels na te leven. Kan men vertraging nog wel onredelijk noemen wanneer zij te wijten is aan de groeiende toename van het aantal strafzaken gepaard aan een nagenoeg permanent personeelsgebrek? Deze “buiten de strafrechtsprocedure gelegen omstandigheden” riep het gerechtshof in Den Bosch in ter verklaring van het feit dat het p op 11 december 1979 was toegekomen aan de behandeling van het hoger beroep tegen een veroordeling wegens een aantal verkeersovertredingen die de politierechter in Breda op 30 november 1977 had uitgesproken. De verdachte had direct appel aangetekend, dus daar lag het niet aan. De Hoge Raad verklaarde onomwonden dat het beroep op de justitiele werkdruk een onredelijke vertraging niet kan rechtvaardigen. Onze hoogste rechter vond het tijdsveoop in kwestie echter weliswaar “onwenselijk” doch niet “onredelijk”. Maar toen de verdachte vervolgens naar Straatsburg ging - waar de organen van het Europese verdrag zetelen - kreeg hij daar (overigens na nog eens viereneenhalf jaar) gelijk dat het te lang had geduurd. Ook in Straatsburg werd het beroep op de werkdruk te licht bevonden. Er valt nog over te praten als het om een tijdelijke achterstand gaat. Maar dan moet de overheid wel alles in het werk stellen om die weg te werken. Het instellen van een werkgroep - waarop Nederland zich beriep - is onvoldoende. De redelijke termijn is geen inspanningsverplichting maar een resultaatsgebod. Sindsdien geldt de vuistregel van twee jaar als het kritieke punt, zoals ook nu weer in Den Haag. Het enige alternatief zou zijn het gerecht uit te breiden met plaatsvervangers om een inhaalslag uit te voeren, zoals onlangs gebeurde bij de Rotterdamse rechtbank. Maar daar gaan de rechters niet alleen over; dais uiteindelijk een zaak van de minister van justitie. De Brabantse verkeerszaak in Straatsburg liet echter ook nog een andere variant open. Overschrijding van de redelijke termijn hoeft niet per se te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie met als gevolg dat de verdachte vrijuit gaat. Compensatie kan ook worden gevonden in strafvermindering, zoals ook onze Hoge Raad nog eens onderstreepte in 1987. Dat roept echter alleen maar een nieu vraag op: hoe lang moet de vertraging duren tot de straf tot nul is gereduceerd? Het is te begrijpen dat het Haagse gerechtshof zich niet op dit gladde ijs heeft gewaagd. Daarmee wordt de verantwoordelijkheid gelegd bij de minister van justitie - wiens beleidsstukken tegenwoordig ook bol staan van de term 'rechtsverzorging'.

Dat is echter, zo heeft ABB Mannheim geoordeeld, onvoldoende om in het kapitalistische systeem te overleven. Met grote voortvarendheid worden de drie nieuwe dochters daarom aangepast aan de nieuwe tijd. Vele tientallen miljoenen worden de komende jaren gebruikt voor nieuwe machines, automatisering en verbetering van de logistieke organisatie. In de Berlijnse fabriek, zo schat ABB, is 50 procent van de machines verouderd. Het hele bedrijfsterrein moet opnieuw worden ingericht, mede doordat veel opslagplaatsen van grondstoffen overbodig zijn geworden.