Dionysos is een ijdele bluffer met maar een klein hartje

Voorstelling: The Frogs van Aristofanes door T London Small Theatre Company. Vertaling, muziek en regie: Fiona Laird; kostuums: Narrinder Sandhu; spel: Antony James, Nicholas Smith, Jonathan Williams, Rachel Spriggs, Fiona Laird. Gezien: 11-6 Bovenzaal Stadsschouwburg Amsterdam. Aldaar t-m 23-6.

De Bovenzaal van de Amsterdamse Stadsschouwburg is eigenlijk te klein voor The London Small Theatre Company. Het stemvolume van de groep lijkt afgestemd op een ruimere ambiance waar met kracht uitgesprokeoorden minder snel tegen de muren opbotsen dan nu het geval is. Voordeel van een beperkt speeloppervlak is natuurlijk wel dat de toeschouwers vlak bij het vuur zitten en iedere gezichtsspier van de acteurs kunnen observeren. The London Small Theatre Company, sinds 1987 een professioneel toneelgezelschap, is een paar weken in Nederland om afwisselend drie verschillende stukken op te voeren: twee geadapteerde versies van Aristofanes' komedies The Frogs en Clouds en de door regisseuse Fiona Lai geschreven produktie Beyond belief. Ik heb The Frogs gezien, het is een energieke, kleurrijke voorstelling die voornamelijk bedoeld lijkt te bewijzen dat Aristofanes nog lang geen oude verstofte Griek is, maar een moderne frisse man met een komisch schrijftalent dat ons ook nu nog aan het lachen kan brengen. Hoewel Laird zich niet op jongeren richt, lijkt me dat deze door haar vertaalde en geensceneerde voorstelling bij een jong publiek zou aanslaan. In ieder geval is The Frogs geen saaie voorstelling, noch om te zien noch om naar te luisteren. Drie mannen en twee vrouwen (onder wie Fiona Laird) zijn uitgedost in zuurstokkleurige kostuums van glimmende stof; de kleding springt zo opdringerig in het oog, dat het ontbreken van requisieten wel zo rustig is. Wat de opvoering vooral levendig maakt, zijn de a capella gezongen liederen. Dit gezang, dat veelvuldig de gesproken tekst onderbreekt, zorgt ervoor dat Lairds enscenering niet al te splistisch en eendimensionaal wordt - de acteurs kunnen zodoende af en toe enige afstand van hun rollen nemen. De karakters laten aan duidelijkheid niets te wensen over: of het nu gaat om goden of stervelingen, levend of dood, allemaal zijn ze ijdel, zelfingenomen en opschepperig. Zo is de god Dionysos een bluffer die bij iedere zin die hij uitspreekt de ander verwachtingsvol aankijkt om te zien welk effect zijn woorn hebben. Maar ondanks zijn grootspraak heeft hij een klein hartje, zoals blijkt tijdens zijn afdaling in de Hades waar hij de gestorven schrijver Euripides tot leven moet wekken in de hoop dat hij Athene van de dreigende ondergang kan redden. In de onderwereld treft Dionysos niet alleen Euripides aan, maar ook diens collega Aeschylos: beide auteurs zijn aartsrivalen die elkaar niet de erezetel voor de beste tragedieschrijver gunnen, wat een vermakelijk debat tot gevolg heeft. De venijnige woordenstrijd tussen de twee meesters vormt een passende apotheose vaeen luchtige voorstelling waarin met vaart wordt geacteerd door acteurs die zich vakbekwaam tonen in het trekken van rare grimassen.