De gegarandeerde groei van de begrafenisbranche

Nederland vergrijst. Voor de uitvaartwereld ligt er een groeiende markt in het verschiet.

Een nieuwe wereldorde, hoge definitie teevee, vervolg-revoluties in de informatica, supersnelle treinen, supersonische vliegtuigen - dat alles ligt besloten in ons aller dynamische toekomst. Maar tegelijk wacht er een meer vredige toekomst - dievan de grindpaden, de glad geschoren grasgazons, vogelgetjilp in de ochtendnevels, bijengezoem in de zomer en het gekraak van kale bomen in de winter. Kortom de toekomst van de zerken en de urnen. Voor de somma van vijfenzestig gulden per jaar (incl. btw) kunt u er elke maand over lezen. In Het Uitvaartwezen, officieel orgaan van de Nederlandse Unie van Ondernemers in het Uitvaartverzorgingsbedrijf (NUVU). Of in de 'onafhankelijke' concurrent Uytvaert, d elke twee maanden verschijnt. In deze vakbladen kunt u lezen over de 3600 toegewijde krachten die in Nederland werken bij zo'n zesduizend begraaf-ondernemingen, verenigingen en plaatsen, alsmede een veertigtal crematoria. Zij bleken in 1989 goed voor een omzet van 542 miljoen gulden en behaalden daarmee een resultaat voor belastingen van 8,8 procent van de netto-omzet. En de vooruitzichten zijn onveranderlijk - zeg maar gegarandeerd - goed. Want onze bevolking vergrijst gestaag.

Stierven er in 1980 slechts 114.280 Nederlanders, in 1990 waren dat er al 128.800, en in 2000 zullen het er zeker 142.800 zijn - 391 per dag, ruim zestien per uur. Opvallend detail: al deze cijfers zijn verzameld door het Centraal Bureau voor de Statistiek en niet door het introverte begrafeniswezen zelf. “Dodenbezorging en publiciteit liggen elkaar niet zo”, verklaart J. van der Woude, bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (NG) belast met het begrafeniswezen, wat eufemistisch in Het Uitvaartwezen. “Een gepaste terughoudendheid is kenmerkend voor het uitvaartverzorgingsbedrijf. Omgekeerd staat de samenleving niet te trappelen om kennis te nemen van de ontwikkelingen in deze bedrijfstak. Er blijft een zekere afstand.” In haar vakbladen laat de branche zich echter van een ronduit zakelijke en bij tijden sprankelende kant zien. 'Onze uniformen zijn een lust voor het oog', meldt firma J. Zwart en Zoon te Limmen. 'Licht in gewicht, dusgemakkelijk hanteerbaar, waterdicht en door twee man te plaatsen', zo prijst S.V. Plastic BV zijn kunststoffen grafkelders aan. De firma Danco in Steenwijk afficheert zich als 'fabrikant van de bekende koeltafels, uiteraard tegen zeer billijke prijzen; reeds vele tevreden gebruikers'. Dat de moderne technologie geen halt houdt voor de poorten van begraafplaatsen en crematoria blijkt evenzeer uit de advertenties in de vakpers. 'Automatisering in het uitvaartwezen? Ja dat kan!', verzekert Eekhof Cubic Software. De Delftse firma Zegwaard biedt een ingenieus graafmachientje aan met hydraulische stabilisatortjes en een grijpertje dat zowaar reikt tot drie meter diepte. 'Boki' is de naam van deze efficiente grafdelver', aldus de trotse adverteerder. Niet lang geleden werd het uitvaartwezen nog beticht van overdreven zakelijkheid om niet te zeggen winstbejag. M. de Gee, uitvaartleider bij de grote Amsterdamse cooperatie PC die jaarlijks achtduizend hoofdstedelingen op hun laatste gang begeleidt, geeft toe dat er in het verleden wel eens prijsopdrijving plaatshad. “Dat was ook de reden voor de opkomst van de niet op winst gerichte uitvaartcooperaties en verenigingen, zoals de LOVU (Landelijke organisatie van uitvaartverenigingen) en het NVU (Nederlands verbond van uitvaartverenigingen)”, aldus De Gee. “De op winst gerichte ondernemingen, die merendeels zijn aangeloten bij de NUVU (Nederlandse Unie van ondernemers in het uitvaartbedrijf) hebben hun prijzen geleidelijk aangepast. Daarmee zijn de verschillen tussen profit en non-profit-organisaties nu grotendeels verdwenen”. Natuurlijk zijn er volgens de Amsterdamse uitvaartleider af en toe nog firma's die over de schreef gaan, “maar die graven hun eigen graf”. Pag. 18 In de uitvaartwereld komt concurrentie niet voor Voorzitter J.Pl van de LOVU vertelt: “De meeste uitvaartondernemingen bieden nu standaardpakketten aan die tegen de vierduizend gulden lopen. Maar natuurlijk blijft er variatie. De ene ondernemer heeft nu eenmaal meer genvesteerd dan de andere. En of je investeert in Den Haag of in Vlagtwedde maakt ook uit. Daar komt bij dat de ene klant tevreden is met een eenvoudige kist van spaanplaat voor 250 gulden, terwijl een ander er een van eikehout wenst voor 2500 gulden. De een biedt na de begrafenis een kopje koffie aan, een ander wil iets aanrichten dat meer op een bruiloftsmaal lijkt. Daaraan hangt natuurlijk een prijskaartje”. Ook kunnen de in rekening gebrachte gemeentelijke grafrechten met honderden guldens varieren. Niettemin achtte de branche na druk van consumenten-organisaties begin dit jaar de tijd rijp om door zelfregulering prijsopdrijvers in de eigen gelederen de wacht aan te zeggen. Pool: “Overkoepelenorganisaties als de LOVU en de NUVU verplichten hun leden sinds kort om de klant tijdig per standaardformulier een duidelijke prijsopgave te doen. Daarin kunnen tot 48 uur voor de begrafenis wijzigingen worden aangebracht. Bovendien hebben wij sinds 1 januari jongstleden in samenwerking met de consumentenorganisaties een onafhankelijke geschillencommissie die voor 45 gulden een bindende uitspraak doet”. Maar van enige concurrentie is in het uitvrtwezen nauwelijks of geen sprake, erkent de LOVU-voorman en hij knoopt daaraan openhartig vast: “Ik ben gewend om de zaken goed bij te houden maar nog nimmer kwam ik een uitvaartondernemer tegen die failliet ging.”. Het begrafeniswezen is overigens niet gespeend van zelfkritiek. “Uitvaartverzorging heeft bij grote delen van het publiek geen goed imago”, constateert een naamloze auteur in het aprilnummer van De Uytvaert. “Ik ben er van overtuigd t dit niet, zoals vaak gedacht wordt, te wijten is aan de hoge kosten van een uitvaart, maar aan het gebrek aan betrokkenheid en een bedenkelijke sociale vaardigheid”. Een voorbeeld: “Bij de bespreking zit de familie uitvoerig de voors en tegens van het dalen van de kist te bespreken. De uitvaartverzorger heeft haast en zegt plompverloren: Ach, uiteindelijk komt het toch op hetzelfde neer”. Verder bespeurt de auteur materiele en personele miskleunen: “Onlangs hoorde ik het verhaal van een rijdende baarie in de aula van de begraafplaats tijdens de preek van de dominee een klapband kreeg. Slechte banden onder hoge druk. Een niet correct geklede uitvaartverzorger, een drager die z'n pet op zet als de anderen buigen, enzovoort”. Toch bijt de branche bij tijden ook terug naar een weinig begripvolle buitenwereld. Lijkauto- en volgauto-chauffeur Theo van der Laan verzucht in Het Uitvaartwezen: “Als ze gewoon achter onze stoet blijven rijden is er niets aan de hand. Maar vaakroberen ze ons snel te passeren en nog vlak voor een stoplicht naar rechts te schieten. Dan worden we gewoon gesneden. Wat je dan doet? Niet veel, want in de lijkauto zit de uitvaartleider naast je zodat je geen raampje opendraait om even je hart te luchten. Sta je voor het stoplicht, dan kijk je even met een strenge blik naar rechts. Maar meestal kijken ze strak voor zich uit omdat ze heel goed weten wat ze hebben gedaan”. De uitvaartwereld was de afgelopen maanden heig in discussie over de invoering per 1 juli aanstaande van de nieuwe wet op de lijkbezorging. De totstandkoming van deze wet was op zich al een martelgang die zesenveertig jaar geleden begon. In 1988 was de wet in concept eindelijk klaar maar toen struikelde de Eerste Kamer over een artikel waarin de grafrust op twintig jaar werd gesteld. Dat moest volgens de senatoren - evenals in de oude uit 1868 daterende wet - tien jaar blijven omdat Nedernd anders met nog meer begraafplaatsen zou worden overspoeld. F. de Wit, directeur van de Crematorium Vereniging Nederland (CVN) noemt nu als grote pluspunt van de wet het volledig gelijk stellen van begraven en cremeren - waarvoor 44 procent van de Nederlanders kiest. Maar over sommige nieuwe wetsartikelen toont hij minder euforie. Tot nu toe werd de as in een urn bijgezet in het crematorium of verstrooid op een speciaal veld bij het crematorium-gebouw. Daarnaast mocht de as boven open zee worden verstrooid mits een afstand tot de st van minstens drie mijl wordt bewaard. Per 1 juli wordt het allemaal anders. Dan kan de as - een maand nadat die in een verzegeld blik is gestopt - mee naar huis worden genomen door nabestaanden, erfgenamen dan wel 'degenen die de zorg voor de bus op zich nemen'. Ook daarna mag de as alleen worden verstrooid op een door de gemeente aangewezen veld. Maar als de as wordt verstrooid in de achtertuin van de overledene, in zijn geliefde volkstuin of bij zijn favoriete golfbaan? CVN-directeur De Wit: “Dat wordt nu oncontroleerbaar en er staan ook geen sancties op.” Een ander punt van zorg blijft de zorg voor de asbus. “De eerste tijd na de crematie zullen de nabestaanden zorgzaam zijn”, vermoedt De Wit. “Maar na een x-aantal jaren? Bestaat dan niet het risico dat de asbus bij een vuilniszak op de stoep wordt gezet?” Toch blijft zijn globale oordeel positief, “want deze ontwikkeling speelt in op de wensen van minderheden, zoals hindoestanen, en van het publiek in het algemeen”. Een ander moeizaam punt - waarbij onder meer rekening is gehouden met de wensen van moslims - is dat begraven en cremeren voortaan niet meer moet in een kist van hout. Een 'omhulsel', wat dat dan ook moge zijn, is voldoende. Op het kerkhof is dat niet zo'n probleem. Daar zijn, zeker onder moslims, voldoende handen beschikbaar. Maar in het crematorium? “Ik zou niet weten hoe dat moet”, bekent beheerder H. Santing van het crematorium in Groningen. “Nu rden alle stoffelijke overschotten met kist en al ingevoerd in de oven. Daar is het achthonderd tot negenhonderd graden. Ik kan toch geen lijk zonder kist op de invoerwagen leggen. Als het op die manier wordt ingevoerd begint het direct te branden. Dan krijg je rook en stinkerij in het crematorium en dat lijkt me ongewenst. En bovendien, het is geen gezicht”. CVN-directeur De Wit beaamt: “De wet schrijft ons op dit punt iets voor dat praktisch onhaalbaar is”. Behae de wet op de lijkbezorging wordt per 1 juli ook het daaraan genagelde 'Lijkomhulselbesluit' van kracht dat tot doel heeft begraven in Nederland milieuvriendelijker te maken. R.J. van Aalderen, bestuurder van de overkoepelende uitvaartorganisatie NUVU, legt uit dat het gebruik van kunststoffen - zoals bepaalde spaanplaat-kisten en plastic lijkhoezen - de afgelopen decennia sterk is ingeburgerd. Daarvoor bestonden zowel economische als hygienische redenen. De schaduwzijde is evenwel dat deze materialen een vochtig en zuurstofarm vacuum scheppen wat het verteringsproces vertraagt. De nieuwe wet op de lijkbezorging stipuleert ook dat crematoria voortaan winst mogen maken. Is daarmee het hek van de dam en kunnen wij 'Amerikaanse' toestanden verwachten? Met crematoria die lijken op weelderige lounges van vijfsterren-hotels? Of met grote drive-in-crematoria waar jachtige nabestaanden vanuit hun comfortabelachtcylinder de dierbare op de monitor zijn laatste gang zien maken naar de verbrandingsoven? “Ik zie dat hier niet gebeuren”, oordeelt De Wit. “Zulke uitwassen staan loodrecht op onze cultuur. Wij zijn een bedaard en weinig praalzuchtig volk. Dit is in Nederland geen bedrijfstak waar grote winst kan worden gemaakt. We hebben nu met 42 crematoria al een technische overcapaciteit”. Wel is er, volgens De Wit, dringend produkt-innovatie nodig. Hij verduidelijkt: “Destijds begonnen we met grote cremaria met een regionale functie. Zoals in Rotterdam-Zuid dat een capaciteit heeft van vijfduizend crematies per jaar oftewel zestien per dag. Dat betekent een snel en wat kil massa-gebeuren waarbij de uitvaart neerkomt op een half uurtje in de aula, enkele muziekfragmenten - meestal Mieke Telkamps 'Waarheen', Thijs van Leer op de fluit, of klassiek - en soms nog een korte spreker. Dan wordt de karavaan met strakke hand naar een koffiekamer gedirigeerd en verschijnt een volgende stoet”. Als het aan CVN-directeur De Wit ligt, komt daarin zo snel mogelijk verandering. “Wij gaan nu naar de kleinere crematoria met hoogstens twee tot vier uitvaarten per dag, die dichter bij de mensen liggen en daardoor vaker kunnen worden bezocht. Dat is ook goed voor de rouwverwerking. De diensten in de aula mogen dan langer duren en de nabestaanden kunnen daarin een grotere rol spelen”. Verder mag er in deze mini-crematoria worden gerekend op een meer intieme inrichting, warme vloerbedekking en meer zachte en vriendelijke kleuren. P. de Wit: “Wij willen er plaatsen van maken die genegenheid uitstralen”.