Centrale paradox

Het hoge woord is eruit. “Het heeft geen zin meer tegen heug en meug aan de centrale onderhandelingstafel aan te schuiven”, zei FNV-voorzitter J. Stelenburg gisteren, nadat hij het streven van de vakcentrale naar een zogenoemd centraal akkoord bij de vuilnisbak had gezet.

De jongste kruistocht van de grootste vakcentrale voor een landelijke afspraak met de centrale werkgeversorganisaties en het kabinet over loonmatiging in ruil voor bepaalde maatregelen op het terrein van scholing en werkgelegenheid heeft ongeveer anderhalf jaar geduurd, maar nimmer kunnen ortuigen. “De werkgevers voelen er niets voor en het kabinet geeft geen sjoege”, constateerde J. Draijer, coordinator arbeidsvoorwaardenbeleid van de FNV vorig jaar september al. Toch probeerde Stekelenburg het begin dit jaar nog een keertje. Voor dit jaar was het toen al te laat, maar voor 1992, zo zei hij, is de FNV bereid de lonen te matigen als daar “keiharde afspraken” over 'goede doelen' tegenover zouden staan. “Ik wil de bestade decentralisatietrend niet omkeren. Het gaat er mij om vanuit centraal niveau richting te geven op bijvoorbeeld het terrein van de ethnische minderheden, omdat bepaalde zaken op decentraal niveau nu eenmaal niet overal worden gevoeld”, aldus Stekelenburg nog onlangs in deze krant. Maar andermaal kreeg hij nul op het rekest. De Tussenbalans van het kabinet had de werkgevers alleen maar kopschuwer gemaakt. “De dreiging met lastenstijging (lees: strafheffingen) als sociale partners zich niet zouden houH)den aan de door het kabinet - voor alles met het oog op de koppeling - gestelde norm voor de loonontwikkeling, beschouwt de Raad van de Centrale Ondernemingsorganisaties als onverenigbaar met het sinds 1982 ontwikkelde overlegmodel.” De werkgevers achtten een “pas op de plaats” noodzakelijk en zegden zelfs het gebruikelijke Voorjaarsoverleg met werknemers en kabinet op. Ondanks de aansporingen van Stekelenburg voelde ook de eerst-verantwoordelijke minster De Vries (sociale zake niets voor een centraal akkoord. Dat zou te zeer geassocieerd worden met centraal geleide loonpolitiek en die verdenking wilde hij niet op zich laden. En tenslotte was ook de animo binnen de vakbeweging zelf niet groot. Niet alleen bij de andere vakcentrales (CNV en MHP), maar ook bij Stekelenburgs eigen achterban. Zo is bijna twintig jaar na het eerste centraal akkoord (1971) de situatie ontstaan dat er op landelijk niveau niet meer over het arbeidsvoorwaardenbeleid wordt overlegd. In de latere jaren zeventig is vaker geprobeerd tot een centraal akkoord te komen, maar om uiteenlopende redenen mislukte dit telkens. Formeel was er toen sprake van vrije loonpolitiek, maar wanneer de uitkomsten het kabinet niet bevielen werd ingegrepen. Dat resulteerde in niet minder dan zeven loonmaatregelen, zonder dat achteraf beweerd kan worden dat ze de economische neergang hebben gekeerd. Dat kan wel gezegd worden van het 'Akkoord van Wassenaar' dat eind 1982 - kort na het aantreden van het eerste kabinet-Lubbers - werd gesloten tussen VNO-voorman Van Veen en FNV-leider Kok. Daarin draaide het om herstel van economische groei en rendementen van bedrijven. De vakbeweging zag af van volledige automatische prijscompensatie in ruil waarvoor de werkgevers zich sterk zouden maken voor herverdeling van werk. Niemand twijfelt eraan dat Nederland door deze - centraal overeengekomen - loonmatiging in de jaren tachtig meer dan gemiddeld heeft geprofiteerd van de internationale economische groei. Maar na acht jaar was de rek er kennelijk uit, ondanks de 'vernieuwing' die de afspraak bij de start van het derde kabinet-Lubbers eind 1989 onderging in het zogenoemde 'Gemeenschappelijk beleidskader' (GBK). Loonmatiging heet daarin van cruciaal belang voor uitbreiding van de werkgelegenheid, terugdringing van het financieringstekort, handhaving van de koppeling en stabilisatie van de collectieve lasten. In de marktsector gaan de lonen dit jaar gemiddeld 3,3 procent omhoog, ambtenaren krijgen er 3,4 procent bij en trendvolgers zelfs 3,9 procent. Voor volgend jaar zijn ondere andere in het bankbedrijf en in de metaalindustrie al loonsverhogingen van vier procent overeengekomen. Daarmee is de gevreesde loon-prijsspiraal definitief terug van weggeweest. Werkgevers noch werknemers hebben het GBK formeel opgezegd. Maar d ze hun uiterste best doen zich er aan te houden kan steeds minder serieus worden volgehouden. Het is de paradox van de huidige situatie: terwijl er niet meer centraal wordt overlegd, wordt voor het realiseren van de kabinetsdoelstellingen enigerlei vorm van 'loonbegeleiding' steeds waarschijnlijker.