Bevolking teleurgesteld in de democratie; In Panama overheerst gevoel dat alles mislukt

Elke maand demonstreren nabestaanden voor opheldering over het lot van verwanten die sinds de Amerikaanse invasie van december 1989 worden vermist. (Foto Piet den Blanken-HH)

PANAMA-STAD, 12 JUNI. De vice-president bromt gemoedelijk: “Soms verlang ik terug naar de tijd dat ik in de oppositie zat”. Als een van de leiders van de Panamese oppositie werd Guillermo 'Billy' Ford wereleroemd toen hij in mei 1989 verscheen op vele voorpagina's en op de covers van Time en Newsweek, met bebloed gezicht en de armen geheven ter afwering van verdere klappen door de aanhangers van generaal Noriega.

Nu, na het bloedbad, na de door de oppositie gewonnen en door Noriega geannuleerde verkiezingen, na de Amerikaanse invasie in december 1989 en de verlate ververing van de verkiezingswinst, nu leunt Ford achterover in een comfortabele fauteuil in zijn ruime werkkamer op het ministerie van planning. “En als ik zeg dat ik de oppositie mis, dan bedoel ik dat het toen makkelijk was om de regering te kritiseren en daar een feestje van te maken. Nu zit ik zelf in de regering en kost het soms moeite de boodschap over te brengen naar de mensen, terwijl ik weet dat we hard ons best doen.” Best lijkt niet goed genoeg voor Panama. In de zeventien maanden sinds 24.000 Amerikaanse militairen in een korte actie onder de naam 'Operation just cau een einde maakten aan het door schending van mensenrechten en drugshandel gekarakteriseerde bewind van generaal Manuel Antonio Noriega, is de onvrede onder de Panamezen alleen maar toegenomen. Noriega zit in een Amerikaanse cel in afwachting van zijn proces wegens drugssmokkel en het witwassen van 'narco-dollars', dat vermoedelijk begin september zal beginnen. Maar de generaal geniet in zijn gouden kooi meer comfort dan zijn aanhangers in Panama die als gevolg van Arikaanse bombardementen al hun bezittingen hebben verloren.

Nabij een Amerikaanse basis langs het Panamakanaal wonen nog 92 families in een voormalige hangar, hun behuizingen afgebakend door tentdoek.

Harde muziek schalt door de grote ruimte, blote kinderen spelen op de grond, terwijl de volwassenen in de smorende hitte van Panama's regenseizoen zich zo onbeweeglijk mogelijk houden. “De hitte, de ziekten, de onzekerheid, dit is de hel”, zegt Gloria Arguellez gelaten, terwijl zij haar baby op de arm wiegt. Mevrouw Arguellez heeft, net als een kleine twintigduizend andere inwoners van de door oorlogsgeweld zwaargetroffen volkswijk El Chorillo, sinds de invasie in het tentenkamp gewoond. Nu krijgt ook zij, als een van de laatsten, een flat in de met Amerikaans geld herbouwde wijk. Het vluchtelingenkamp wordt eind deze maand gesloten. De getroffenen uit El Chorillo hebben 6.500 dollar per persoon gekregen voor hun nieuwe huis en achthonderd dollar ter compensatian het oorlogsleed. “Maar ik ben wel alles kwijtgeraakt”, zegt mevrouw Arguellez. De vluchtelingen uit El Chorillo keren terug naar een maatschappij die in economisch opzicht een zware crisis doormaakte, vertelt Raul Leis, socioloog en directeur van de onderzoeksorganisatie CEASPA, onder het zachte zoeven van de ventilatoren op de patio van zijn instituut. “Panama bevindt zich nu op het niveau waarop de Middenamerikaanse landen met uitzondering van Costa Rica zich tien jaar gJH)leden bevonden.” In politiek opzicht zijn de Panamezen, aldus Leis, “teleurgesteld in de democratie, zonder dat ze overigens terug willen naar de dictatuur. Maar het gevoel overheerst dat alles is mislukt.” Dat de democratische regering van president Guillermo Endara, van Billy Ford en tot voor kort ook de christen-democraat Ricardo Arias Calderon, na zijn heimelijke installatie op een Amerikaanse basis aan de vooravond van de invasie lgens de Panamezen haar beloften niet heeft kunnen waarmaken, wordt de bezoeker in de uit houten krotten opgetrokken wijk San Miguel al vanachter het wasgoed toegeschreeuwd. “Kijk maar naar de armoede in Panama, kijk maar naar de armoede waarin wij leven”, roept een geemotioneerde vrouw, “de regering doet niets voor de mensen hier.” De mensen in El Chorillo en San Miguel lijken niet alleen te staan in hun kritiek op het sociale beleid van de regering-Endara. Dit voorjaar werden de christen-democraten (PCD), de grootste fractie binnen de regerende ADO-Civilista-coalitie, door president Endara uit het kabinet gezet. Onder leiding van Arias Calderon, die desondanks zijn positie als eerste vice-president van Panama behoudt, voeren de christen-democraten nu de oppositie tegen Endara aan. “Wij blijven strijden voor een betere balans tussen de aflossing van Panama's schuld en het oplossen van de sociale problemen”, zo zegt Arias Calderon in 'De groene ster', het hoofdkwartier v de PCD in Panama-Stad, over de breuk in de coalitie die eens zo eensgezind was tegen Noriega. “Deze regering heeft veel te weinig oog voor de problemen van de arme Panamezen. Vooral van de 45 procent die onder de armoedegrens leeft.” Die opmerking valt niet goed bij de achterblijvers in het kabinet. “Ze hebben anders wel vijftien maanden lang meegewerkt aan het sociaal-economische gebouw dat nu is opgetrokken”, reageert tweede vice-president Guillermo Ford verstoord.

Maar de samenwerking is aan diggelen en van de toenmalige 'burgerkruistocht' die het straatprotest tegen Noriega kanaliseerde, is niets meer over. Een herdenkingsmars voor de vierde verjaardag van deze Cruzada Civilista op 7 juni werd afgelast. Schande, roept een ingezonden-brievenschrijfster in het dagblad La Prensa, “met alle corruptie en geruzie in de coalitie wordt het tijd voor een nieuwe burgerkruistocht”. De christen-democratische oppositie stelt zich wel loyaal op. Samen met de regering wijst zij op de verworvenheden van de democratie: persvrijheid (Arias Calderon: “Een brute persvrijheid zou ik willen zeggen”), respect voor mensenrechten en de demilitarisering van het land, dat net als buurland Costa Rica nu alleen nog maar een politiemacht kent. De Amerikaanse ambassadeur in Panama, Deane Hinton, voegt zich bij het koor dat de Panamese verworvenheden bezingt. “Naar de meeste maatstaven is de situatie redelijk goed. Er is een democratimet een effectief parlement, dat de regering een hoop last bezorgt en er is een economisch programma. Het zou beter kunnen, maar het is 'hell of a lot' beter dan het was. Hinton verwerpt de suggestie dat de huidige Panamese regering het gevolg is van de Amerikaanse invasie. Kort en krachtig schetst hij de situatie zo: “Deze regering won de verkiezingen met een meerderheid van drie op een. Die 'tinpot'

dictator annuleerde de verkiezingen, wij annuleerden d dictator''. De ambassadeur laat uit zijn opsomming van verworvenheden wijselijk weg dat Panama nog steeds de functie vervult van doorvoerland voor Colombiaanse cocane en van financieel centrum voor het witwassen van drugsgelden.

Noriega's rol bij de drugshandel, die nog steeds niet voor een rechtbank is bewezen, was een van de belangrijkste redenen voor operatie 'Just cause'. De socioloog Raul Leis wijst erop, dat de Amerikanen zelf spreken n een toename van de drugshandel in Panama. “Onder Noriega was het meer gecentraliseerd, gecontroleerd door een persoon. Nu is het een kwestie van de vrije markt. Van bendes die elkaar in de arme wijken bevechten. We leven in een land dat overspoeld is met wapens.” De toename van de (narco-)criminaliteit komt in vrijwel ieder gesprek op straat terug. Manuel de Leon, oud-kampioen boksen in het middengewicht en de vaste taxichauffeur van NRC Handelsblad in Panama, geeft toe: “Ik ben bang. Sinds je hier de vorige keer was, is het alleen maar ergereworden. Onder Noriega was het een uitzondering dat er iets met taxichauffeurs gebeurde. Nu heb ik in anderhalf jaar tijd al 21 collega's ten grave gedragen. Drugs vind je hier overal, ze steken je zo overhoop en de politie doet er niets aan.” Zijn verhaal wordt onderstreept op het hoofdkwartier van het Amerikaanse Zuidelijke Commando in Panama, Quarry Heights. Bij de poort wijst een verlicht bord de militairen die de basis verlaten op het feit dat alarmfase 'Bravo' va kracht is. Alarmfase? “Wegens de criminaliteit in de stad, de drugs en zo”, legt legerwoordvoerder Bill Ormsbee uit. Vice-president Ford en ambassadeur Hinton wijzen evenwel op de vorderingen die zijn geboekt in de institutionele strijd tegen de drugshandel. De Amerikaanse diplomaat: “Deze regering helpt ons bij de bestrijding van drugshandel. De vorige regering (Noriega) hielp ons in sommige gevallen en in andere weer niet.

Dat is het verschil.'' Ziet het ernaar uit, dat de Amerikaanse invasie uit het oogpunt van drugsbestrijding maar ten dele is geslaagd, de ingreep heeft in elk geval de Amerikaanse controle over het strategisch belangrijke Panamakanaal verzekerd. Tot het einde van deze eeuw, aldus de verdragen tussen de VS en Panama. Volgens de socioloog Leis is het kanaal in het gedoofde Oost-Westconflict niet interessant meer, maar wordt het des te belangrijker in de relaties Noord-Zuid. De waterweg als natuurlijke barriere tegen een invasie van de armoede uit het zuiden.

Leis: “Panama heeft zijn soevereiniteit nog steeds niet terug. Het blijft een land dat door een vreemde macht wordt bezet. En de Amerikaanse officieren zien in de leden van de regering hun belangrijkste medewerkers”. Een bananenrepubliek dus. Die opmerking schiet bij vice-president Ford in het verkeerde keelgat. “Dat verwerp ik ronduit. Ik vermoed dat er wegens het Panama-kanaal en onze speciale relatie met de VS veel jaloezie bestaat. Wij zijn geen marionetten. Van niemand. En dat zullen we in de toekomst ook niet worden.”

''Veel speelt zich af tegen de achtergrond van de Koude Oorlog, dus enerzijds kwam sterk naar voren dat we met de totale ondergang werden bedreigd en wel voortdurend, dat werd ons ook door mr. Hilterman en zijn collega's voorgehouden en anderzijds zijn we ontzettend bezig met koken en geld besparen: 'Moeders Wil Is Wet'. Pas op zaterdagavond mogen we ons amuseren. Maar de dreigende buitenwereld was altijd daar.