'Verlucht handschrift van historisch belang'; Gebedenboek Beatrijs is 'een zeldzame vondst'

Minister Hedy d'Ancona van WVC heeft vorige week verhinderd dat een 15de-eeuws gebedenboek uit Nederlands particulier bezit op 18 juni in Londen geveild zou worden. Het is de eerste keer dat, sinds in 1984 de Wet tot behoud van cultuurbezit van kracht werd, een minister met een spoedprocedure ingrijpt om een voorwerp van nationaal belang te behouden voor Nederland. Wat is er bekend over dit gebedenboek en waarom is dit handschrift zo bijzonder?

ROTTERDAM, 11 JUNI. “Het komt zelden voor dat een uniek stuk als het gebedenboek van Beatrijs van Assendelft opduikt.

Eigenlijk is het cultuurbezit in Nederlands particulier bezit niet zo groot''. Dat zegt Charlotte van Rappard, beleidsmedewerkster van de Rijkdienst Beeldende Kunst. Deze dienst beheert de lijst van zo'n zevenhonderd voorwerpen en collecties uit ander dan museaal bezit, opgesteld in het kader van de Wet tot behoud van cultuurbezit, die vanwege hun nationaal cultureel belang het land niet mogen verlaten.

Volgens Van Rappard is het Nederlands cultuurbezit vijf jaar geleden bij de opstelling van de lijst “grondig doorgespit”.

De kans dat, zoals gisteren in deze krant bleek, een belangrijk, niet op de lijst genoteerd 15de-eeuws gebedenboek als particulier eigendom op een buitenlandse veiling dreigt te komen, acht zij daarom niet groot.

In totaal komen op de 'Lijst van voorwerpen behorende bij de Wet tot behoud van cultuurbezit' honderdtachtig nummers voor.

Onder sommige nummers valt een volledige collectie tekeningen, zodat het totaal aantal beschermde voorwerpen op zevenhonderd komt. Die stukken varieren van 17de-eeuwse apothekerspotten en judaca tot een portret van Pyke Koch en een doek van Albert Cuyp. Het aantal voorwerpen op de lijst blijft ongeveer hetzelfde. Enkele stukken komen in een museum terecht, en verdwijnen dan van de lijst. Andere, zoals recentelijk een vijftal 19de-eeuwse kerkelijke objecten, worden aan de lijst toegevoegd. Jaarlijks breidt de lijst zich met drie tot vijf stukken uit en “daarbij zijn de criteria niet gericht op kwaliteit, maar op nationaal belang”, aldus Van Rappard.

Het nu van de veiling teruggetrokken gebedenboek van Beatrijs van Assendelft uit het bezit van de Amsterdamse familie Six, is vooral belangrijk vanwege de historische context, meent mevrouw dr. A.S. Korteweg, hoofd van de afdeling handschriften van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Zowel deze bibliotheek als die van de Leidse Universiteit bezitten elk zo'n vijfhonderd verluchte, iddeleeuwse handschriften.

“Meestal kennen we de middeleeuwse opdrachtgevers niet die dergelijke handschriften bestelden”, zegt mevrouw Korteweg.

“De meeste boeken zijn anoniem. In dit geval weten we nogal wat af van de vooraanstaande familie Van Assendelft”.

Mevrouw W.C.M. Wustefeld, conservator handschriften van het Catharijneconvent in Utrecht, onderstreept eveneens het historisch belang. “Het is jarenlang zoek geweest. Nu zijn er drie handschriften bekend uit het bzit van een familie, en dat is zeldzaam, want er is vrij weinig bewaard gebleven van adellijke families die boeken bestelden”. Een derde Van Assendelft-manuscript bevindt zich nog in Nederlands particulier bezit.

Volgens de Rijksdienst Beeldende Kunst is het gebedenboek omstreeks 1480 vervaardigd door het Sint Agnesklooster in Delft. Het bevat 224 pagina's en veertien miniaturen. Het manuscript is, volgens mevrouw Wustefeld, “bijzonder gaaf, zelfs de boekband is nog origineel”. De catalogus van Sotheby's, behorende bij de uitgebreide mauscripten-veiling die op 18 juni in Londen plaats heeft, laat twijfels bestaan over de eigenaresse. Waarschijnlijk behoorde het toe aan Beatrijs' moeder, Beatrijs van Dongen van Daelem, 'vrouwe van den lande van de Wale en Besoyen, huysvrouw van heere Gerrit van Assendelft', die ordinaris (een hoge kerkelijke functionaris) was bij het Hof van Holland. Van Assendelft, een vermogend man, bezat het kasteel Assumburg onder Heemskerk en een groot huis aan het West Einde in Den Haag, waar de Assendelftstraat nog aan herinnert.

Anderen nemen aan, dat het gebedenboek niet voor de echtgenote maar voor de oudste dochter van het echtpaar, Beatrijs van Assendelft, werd vervaardigd. In 1485 trad zij toe tot het “gemeene convent van den susteren te Zijl in Haarlem”. Zij werd daar vrijgesteld van allerlei kloosterplichten, reden om aan te nemen dat zij een zwakke gezondheid had en vaak ziek was. Zij hoefde niet in het koor te zingen, ze mocht slapen, waken, eten en drinken wanneer ze wilde, zoals blijkt uit een destijds opgemaakte acte.

Het Fitzwilliam Museum in Cambridge beheert een van dochter Beatrijs afkomstig handschrift. En Rijksmuseum Het Catharijneconvent in Utrecht beschikt over het Brevier van Beatrijs van Assendelft, volgens deskundigen, “een uitzonderlijk groot boek en het meest prestigieuze Noordnederlandse handschrift uit de tweede helft van de vijftiende eeuw”, met elf pagina-grote miniaturen en vele initialen, waarschijnlijk van de hand van drie verschillende 'meesters'. Het was een van de topstukken op het vorig jaar in het Catharijneconvent ingerichte overzicht van Noordnederlandse miniaturen. Van het nu ontdekte manuscript waren 'the whereabouts unknown'.