New Yorkers bedelven helden uit Golfoorlog onder tonnen papier

NEW YORK, 11 JUNI. Van de top van een wolkenkrabber aan het einde van de New-Yorkse Broadway-route is de hele 'triomfcany(H)on' te zien: een dichte sneeuw van versnipperde ambtelijke stukken, dividendberekeningen, dagkoersen voor varkensspek, telefoonboekvellen en uitgerold wc-papier daalt neer op de drie bekende Amerikaanse helden van de Golfoorlog, minister van defensie Richard Cheney, voorzitter van de verenigde chefs van staven generaal Colin Powell en de opperbevelhebber van de strijdkachten in de Golf, generaal Norman Schwarzkopf. Zittend op de gevouwen kap van klassieke Amerikaanse cabriolets en met uitgestrekte armen nemen ze de lof van de omstanders in ontvangst. Samen met de Patriot-raketten valt hen het luidste gejuich ten deel.

'Ticker tape', de ponskaart-achtige strookjes die vroeger in groten getale uit telex-apparaten kwamen, bestaat niet meer in de moderne kantoren, dus moet het publiek zich met snippers behelpen. Honderdduizenden kilo's papier werden over de helden uitgestrooid. De optocht ademde heimwee naar de tijd van na de Tweede Wereldoorlog, toen generaal Eisenhower werd gehuldigd, en van de astronaut John Glenn, toen iedereen nog overtuigd was van het onbetwiste economische en politieke primaat van Amerika.

De drie toegejuichte helden weigerden het moderne omhulsel van kogelvrij glas dat Nelson Mandela vorig jaar voor zijn parade door New York ter beschikking had. In plats daarvan worden ze aan weerszijden geflankeerd door politie-agenten met doorzichtige, kogelvrije schilden. Er rijdt ook een grote bestelauto van de geheime dienst mee, met in de bumper verwerkte machinegeweren. Op daken staan scherpschutters opgesteld om bij een eventuele moordaanslag snel in te grijpen.

New York had gisteren onbetwist de grootste militaire parade in Amerika. Volgens schattingen persten zich vier miljoen mensen samen in het korte stukje Broadway op het zuiden van Manhattan, waar de lange optocht plaats had. De geestdrift in deze temperamentvolle stad is groter dan elders. Er wordt lang en hard gejuicht en met Amerikaanse vlaggetjes gezwaaid. Benen van toeschouwers bengelen over de dakranden van hoge gebouwen.

“USA, USA, USA”, wordt er geroepen. Vanuit de hoogte van de wolkenkrabber lijkt het golvende geloei van de massa's mensen beneden eindeloos. De marcherende soldaten reageren, roepen en zwaaien terug, zodat het marcheerritme er enigszins uit raakt.

Militaire bands spelen de 'Stars and Stripes' en de 'Washington Post' van de Amerikaanse componist voor volksliederen, John Philip Sousa. Er zijn veel reservisten bij. Oude, grijze, gehelmde mannen lopen tussen jongere. Er zijn New-Yorkse fanfares en veteranengroepen.

Jeeps voeren borden en vlaggen van alle bondgenoten in de coalitie tegen Irak mee, waaronder Nederland. De Koeweitse regering heeft een half miljoen dollar meebetaald aan deze parade.

Anti-oorlogsdemonstrante proberen de viering te verstoren. In een van de zijstraten van de optocht wijzen demonstranten in constant protestritme op de 200.000 doden die tijdens de oorlog aan Iraakse zijde zouden zijn gevallen. De meeste aanwezigen dachten daar niet over na. “Dit was eindelijk een rechtvaardige zaak”, zei een aanwezige.