Met HDTV tegen Japan

DE EUROPESE COMMISSIE is tegen staatssubsidies aan bedrijven en belooft plechtig tegen alle vormen van oneerlijke concurrentie te blijven strijden. Prima standpunt, dat bevalt de aartsvrijhandelaars die wij, Nederlanders, zijn. Vorige week zegende de Commissie echter, ondanks dit geloofsartikel, Franse subsidies aan Thomson. Waarom? Omdat de televisietechnologie van de toekomst, high definition television (HDTV), een van de allerbelangrijkste industriele activiteiten lijkt te worden. Voor dit standpunt van de Commissie kan begrip worden opgebracht, maar subsidie voor deze fase van de HDTV-ontwikkeling levert nauwelijks het halve werk. Steun aan research is niet ongewoon in West-Europa, kijk maar naar voorbeelden als de mega-chip en de ruimtevaart. Maar is het voldoende en is het een goede besteding van belastinggeld? Deze vragen leiden naar de volgende: is alleen subsidie al industriebeleid of niet meer dan een doekje voor het bloeden?

In het geval van Thomson is sprake van het laatste. Dit Franse bedrijf is eigendom van de Franse staat en is uitsluitend dankzij dit feit nog in leven. Subsidie van Brussel aan een al gesubsidieerd bedrijf gaat te ver. Beter zou zijn geweest als Brussel aan goedkeuring van subsidie de eis van privatisering had verbonden. Zo nieuw is dat niet, Brussel botste eerder met Parijs over een dergelijk ultimatum aan het staatsbedrijf Renault. Maar met deze uitwijding is de principiele vraag of Brussel een industriebeleid kan voeren dat verder gaat dan het toestaan van subsidies niet beantwoord. Dat kan alleen als de ware achtergrond van de Europese subsidie aan Thomson wordt belicht, en dat is eens temeer de moordende Japanse penetratie van de Europese markt en de angst voor dreigende ontindustrialisering van West-Europa.

DE FEITEN ZIJN overbekend: een Europees fototoestel bestaat niet meer, voor het leven van de Europese auto wordt gevreesd, geheugenchips worden massaal 'made in Japan' gemporteerd, Philips is blij als het een videorecorder (van Japanse makelij) verkoopt. Bandrecorders, kopieerapparaten, cd-spelers, Japans, Japans, Japans. Ach, waarom zouden we ook niet onze televisietoestellen, die trouwens toch al voor meer dan de helft namen als Panasonic en Sony dragen, niet uit Japan importeren? Ze zijn goed en goedkoop en dat is prettig voor de consument, die we immers ook allen zijn.

We kennen de stelling dat protectie debiliseert, bedrijven zwak maakt. Maar om vanuit dit dogma zonder slag of stoot de elektronica van de toekomst op te geven gaat te ver. In de HDTV zit vier maal zoveel geheugencapaciteit als in een gewone personal computer. We spreken dus van een kardinale sector in ontwikkeling, die niet alleen een omzet van 300 miljard gulden kan leveren, maar ook banen en kennis die weer andere takken van industrie kan stimuleren.

VRIJHANDEL IS mooi als de handel vrij is. Al jaren proberen we ons zelf aan te praten dat de Japanners eens heus wel zullen toegeven, uiteindelijk niet alleen Franse cognac en Dior-dassen zullen binnenlaten. Vergeet het maar. Vele Japanse banken en inefficiente bedrijven zouden in een open Westers systeem allang failliet zijn gegaan. Japan is een uitermate protectionistische markt. De Japanse creativiteit in het weren van Europese produkten is onuitputtelijk. Tegen Edith Cresson, de huidige Franse premier, zeiden haar Japanse gastheren enkele jaren geleden: “Het spijt ons, mevrouw, maar Franse ski's kunnen we niet importeren, de Japanse sneeuw is anders dan de Franse”. Mevrouw was zo ad rem om te antwoorden dat dus Japanse auto's ook niet gemporteerd kunnen worden, want Franse wegen etc.

Karel van Wolferen schreef in zijn boek over Japan: “Met internationale factoren wordt alleen rekening gehouden als buitenlandse belangen voor een fait accompli hebben gezorgd.

Het Japanse Systeem kan heel alert reageren wanneer een unaniem besef van een nieuwe, externe werkelijkheid het eenmaal van een crisisgevoel heeft doordrongen''. Van Wolferen verwijst naar de OPEC en de oliecrises. Japanners hebben een derde vorm van economie naast de kapitalistische en geleide stelsels ontwikkeld, een daadkrachtige samenwerking van ambtenaren en industrielen, zonder controle van parlement of regering. Wie zich in Europa in relatie tot Japan zorgen maakt om de ideologie van de vrije markt begrijpt niets van de Japanse strategie.

MET HAAR toestemming voor subsidie aan HDTV neemt de Commissie een op de toekomst gerichte beslissing. Een volgende stap zou een gunstig antwoord op het verzoek van Lubbers en de noodkreet van Philips kunnen zijn: het opleggen van de Europese uitzendnorm voor HDTV. De consumenten hoeven hun oude televisietoestellen heus niet te vervangen, maar een paar communicatiegiganten moeten wel hun satellieten aanpassen. Een dergelijke norm betekent rechtstreekse bescherming van een strategisch Europees project tegen Japan. Die uiterste consequentie lijkt Brussel nog niet te hebben getrokken.

Dat zou overigens mentaal makkelijker zijn als Europa voor het front van de wereld (in de GATT) op zou houden met het subsidieren van die produkten waarmee het inmiddels wel kan concurreren op de wereldmarkt, zoals zuivel en vlees, of nooit zal kunnen concurreren, zoals granen. Een dergelijke interpretatie van de vrijhandelsleer sluit bovendien beter aan bij de Amerikann, die eveneens langzamerhand ontdekken dat Japan alleen met faits accomplis tot ander gedrag te brengen is.