Indonesie kan niet almaar meer geld blijven ontvangen

De bijeenkomsten van de groep van landen die steun aan Indonesie geven, zijn de laatste jaren bijna rituele gebeurtenissen geworden omdat de Indonesische delegatie ieder jaar met meer geld naar huis ging. Naar verwachting zal ook dit jaar het door de Intergouvernementele groep inzake Indonesie (IGGI) bijeengebrachte bedrag weer groter zijn en nu op ruim 4,5 miljard dollar uitkomen.

Over de vraag of het inderdaad zoveel zal zijn, wordt vandaag en morgen - onder leiding va de Nederlandse minister Pronk van ontwikkelingssamenwerking - vergaderd. Het is de vierendertigste keer dat de groep bijeenkomt. Ruim een maand geleden had Pronk echter al laten weten dat het plafond nu bereikt is. Tijdens een reis door Indonesie ter voorbereiding van de bijeenkomst in Den Haag zei hij dat Indonesie niet langer op een toename van de buitenlandse financiele hulp kan rekenen. In de eeste plaats wegens het Indonesische macro-economische succes en in de tweede plaats omdat andere fondsen, bijvoorbeeld in het Midden-Oosten ook extra geld nodig hebben.

Die boodschap van voorzitter Pronk was opvallend en vormde een belangrijk signaal aan de Indonesische regering die immers vijfentwintig jaar lang door dik en dun op de steun van de IGGI mocht rekenen. Pronks uitspraken roepen bovendien de vraag op of de IGGI het jaar 2000 wel haalt. Wordt de hulpverlening aan Indonesie zo ht slachtoffer van haar eigen succes en van de behoeften aan hulp elders in de wereld?

Zullen wij de komende jaren getuige zijn van een langzame teloorgang van de groep waarin een steeds kleiner bedrag bijeen gebracht zal worden met het gevolg dat de Indonesiers uiteindelijk niet meer de moeite hoeven te nemen om naar Den Haag te komen? Of is het mogelijk, en wellicht zelfs noodzakelijk, de IGGI aan te passen aan de eisen van de jaren negentig, in het bijzonder aan de veranderende behoeften van Indonesie?

De intergouvernementele groep inzake Indonesie wordt gezien als een uiterst succesvol donor-consortium. Met gepaste trots wordt gewezen op de economische groei en de belangrijke vooruitgang die Indonesie met haar steun sinds 1967 op een aantal terreinen heeft gemaakt. Vooral in de jaren tachtig is Indonesie door de internationale donor-wereld aan de borst gedrukt als een voorbeeld voor andere ontwikkelingslanden.

Zonder twijfel zijn er belangrijke successen geboekt bij de ontwikkeling van Indonesie. Om enkele voorbeelden te noemen: de toegang tot onderwijs is sterk verbeterd, de rijstproduktie ligt sinds 1984 rond het niveau van zelfvoorziening, de export is sterk toegenomen terwijl tegelijkertijd de afhankelijkheid van olie als exportprodukt veel kleiner is geworden en niet in de laatste plaats is de armoede verminderd. Volgens gegevens van de Wereldbank is het percentage van de bevolking dat beneden de armoedegrens leeft, in twintig jaar gedaald van zeventig tot twintig procent. Hoewel met dit soort cijfers enige voorzichtigheid op zijn plaats is en armoede nog niet verdwenen is, wordt de waargenomen dalende tendens door niemand serieus aangevochten.

De ontwikkeling van Indonesie is echter gepaard gegaan met hoge sociale en humanitaire kosten terwijl ook het milieu een hoge prijs heeft betaald. Het streven naar politieke stabiliteit als basis voor economische ontwikkeling heeft onder meer geleid tot een gebrekkige participatie van de bevolking in het ontwikkelingsproces, een klimaat van onvrijheid en ernstige schendingen van de mensenrechten.

Schendingen die door de groep in de regel niet of alleen in de wandelgangen, zijn behandeld. Dat kan niet zo blijven.

Indonesie is nu beland in een fase van ontwikkeling waarin het land veel meer behoeften heeft dan geld alleen. Sinds de transformatie van een agrarische naar een industriele samenleving op gang is gekomen, is het allereerst noodzakelijk om het politieke kader te scheppen waardoor de armoedebestrijding kan doorgaan en zo mogelijk kan worden versterkt. Sinds het milieurapport van de commissie-Brundlandt weten we dat armoedebestrijding ook de beste basis is voor een goed milieubeleid. De geografische en etnische verscheidenheid van Indonesie, maar ook de steeds meer gediversifieerde economie, vragen om beleid dat veel meer dan voorheen is toegesneden op specifieke omstandigheden of regionale verschillen.

De ontwikkeling van Indonesie in de komende decennia vereist maatwerk. Dat kan niet gerealiseerd worden zonder actieve participatie van de bevolking. Juist vanuit de beter opgeleide en deels meer welvarende bevolking in Indonesie klinkt een steeds hardere roep om daadwerkelijke democratisering. Daarbij gaat het om veel meer dan de van bovenaf getolereerde 'openheid' waartoe de Indonesische regering zich tot nog toe heeft beperkt. Aan deze behoefte kan de IGGI niet voorbijgaan.

Zij zou veel meer een forum voor een inhoudelijk discussie met de Indonesiers over de kwaliteit van het ontwikkelingsbeleid en van de hulp in het bijzonder moeten worden. Het aan de orde stellen van een speciaal onderwerp, zoals sinds 1985 gebeurt, is daarvoor veel te beperkt. Haar agenda zou structureel uitgebreid moeten worden. Als er ieder jaar door de Wereldbank gerapporteerd wordt over de economische vooruitgang van Indonesie, waarom dan geen jaarlijkse rapportages over het milieu en de mensenrechten? Niet om met deze onderwerpen de Indonesische delegatie in een hoek te drijven, maar omdat ontwikkeling, milieu en mensenrechten niet van elkaar gescheiden kunnen blijven.

Een verbreding en kwalitatieve verdieping van de IGGI zou een veel groter beroep doen op de beschikbare kwaliteiten van de deelnemende donors. Nu is er alleen het voorbereidende werk van de Wereldbank. Er is echter geen reden die situatie te handhaven. Waarom wordt er - om een voorbeeld te noemen - geen gebruik gemaakt van het werk van het Ontwikkelingsprogramma van de VN, waarin gepoogd wordt te komen tot een 'human development index'. Dergelijk onderzoek biedt een andere blik op Indonesie dan de bril van de Wereldbank en vergroot de mogelijkheden om de kwaliteit van beleid in Indonesie te verbeteren, vooral de besteding van hulp.

Daarnaast zou de IGGI aan kwaliteit kunnen winnen door intensieve relaties op te bouwen met allerlei groepen die in Indonesie actief zijn. In dit verband zijn particuliere ontwikkelingsorganisaties uit Indonesie en de IGGI landen, beter bekend als niet-gouvernementele organisaties (NGO's) al een eind gevorderd met het zoeken naar een verhouding tot de IGGI om hun bijdrage te leveren aan de discussie over de ontwikkeling van Indonesie. Daartoe bestaat sinds 1985 het internationale NGO-forum inzake Indonesie (INGI). Deze INGI tracht op basis van gemeenschappelijke ervaringen van NGO' in Indonesie een aktieve en kritische dialoog te voeren met de IGGI en de Indonesische overheid.

De IGGI staat voor de uitdaging een nieuwe invulling te geven aan de steun van de internationale gemeenschap aan Indonesie.

Die steun zal veel meer kwalitatief dan kwantitatief van inhoud moeten zijn. Alleen dan kan de mogelijkheid worden geschapen dat Indonesie een nieuw voorbeeld wordt, waar ontwikkeling wordt gedragen door democratisering, respect voor de mensenrechten en een effectief milieubeleid.