Het Zweedse model

De tijd lijkt politiek rijp voor een fundamentele hervorming van het sociale zekerheidsstelsel. Eerdere pogingen daartoe onder de noemer 'no-nonsense beleid' van het eerste kabinet-Lubbers faalden, omdat gekozen werd voor de simpelste oplossing: verlaging van de uitkeringen, zonder dat naar enige samenhang werd gezocht met het arbeidsmarktbeleid. Het scheppen van banen werd overgelaten aan de markt.

'Hard' is het politieke codewoord voor de gewijzigde inzichten bij de beleidsmakers en hun adviseurs. Vaak wordt het Zweedse systeem als voorbeeld gesteld voor een 'harde'

verzorgingsstaat. Dat doet overigens niet de Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid (WRR). In een interview met deze krant zei prof. Adriaansens, een van de auteurs van het rapport Een werkend perspectief, dat dit model niet integraal kan worden overgenomen. De rapporteurs hebben er in feite maar een element aan ontleend: de dwang om een baan of scholingsplaats te aanvaarden op straffe van inhouding van de uitkering.

Ook het Sociaal en Cultuur Planbureau vindt het niet raadzaam het Zweedse systeem in Nederland toe te passen. Het vindt de verschillen te groot. Zo kent Zweden geen wettelijk minimumloon. De werkloosheidsuitkeringen zijn aan de lage kant. Huishoudens met meer personen zijn vaak gedwongen een dubbel inkomen te verwerven om redelijk te kunnen rondkomen.

De achtergrond is dat zoveel mogelijk moet worden ontmoedigd dat mensen zonder arbeid te verrichten een inkomen ontvangen.

Tegenover dit tamelijk restrictieve inkomensbeleid staat een actief arbeidsmarktbeleid.

Ik vind deze argumenten niet zo erg sterk. Onder bepaalde voorwaarden kan een stelsel waarin werk principieel boven inkomen wordt gesteld ook voor ons land heel goed bruikbaar zijn. Het komt op die voorwaarden aan en die zijn in ons land niet vervuld. Het Zweedse systeem is niet verwerpelijk, omdat het op een soort politiestaat zou kunnen uitlopen, zoals sommigen beweren. Ik weet ook niet of dit wel een juiste typering van de 'harde' Zweedse verzorgingsstaat is.

Het Zweedse arbeidsmarktbeleid kan alleen maar goed worden beoordeeld tegen de achtergrond van een maatschappijstructuur waarin de vakbeweging een bijzonder sterke positie inneemt en waarin het streven naar volledige werkgelegenheid werkelijk voorop staat. Dat beleid wordt uitgevoerd door een arbeidsmarktapparaat (AMS) dat beheerd wordt door werkgevers en werknemers en dat de beschikking heeft over een keur van arbeidsmarktinstrumenten waaronder uitstekend ingerichte eigen scholingsinstituten.

Wanneer iemand in Zweden zijn of haar baan verliest of dreigt te verliezen wordt hij of ziniet afgescheept met een uitkering. Wanneer er in een andere gemeente of regio een arbeidsplaats beschikbaar is, biedt het arbeidsbureau de werkzoekende een verhuiskostensubsidie of reiskostenvergoeding aan. Is er geen baan beschikbaar die aansluit bij het beroep van de werkloze, dan biedt het arbeidsbureau scholing aan in een sector waar wel voldoende werk te vinden is. AMS kan ook zelf banen scheppen in de publieke dienstverlening wanneer niet voldoende arbeidsplaatsen in de marktsector bchikbaar zijn. Dit zijn mogelijkheden waarover het onder gezamenlijk beheer van overheid, werkgevers en werknemers geplaatste arbeidsvoorzieningsapparaat in ons land niet beschikt. Het onlangs tot wet verheven Jeugdwerkgarantieplan is een vrijwel natuurgetrouwe kopie van de Zweedse aanpak van jeugdwerkloosheid, behalve dan dat het bedrijfsleven er in ons land niet aan meedoet.

Het Zweedse arbeidsmarktbeleid beperkt zich niet tot het snel opvullen van vacatures of het opnieuw schakelen van werklozen.

Het beleid is er ook op gericht werkenden voortdurend bij te scholen, zodat ondernemers geen reden hebben oudere werknemers te ontslaan of te laten 'afvloeien' in WAO of VUT om hen plaats te laten maken voor jongeren.

De 'hardheid' van het systeem geldt zowel voor de werkgever als de werknemer. Het is voor Zweedse ondernemers niet eenvoudig werknemers te ontslaan. De lokale vakbonden hebben het recht om onderhandelingen te beginnen over het aanstellings- en ontslagbeleid van de ondernemer. Bovendien worden werkgevers aangemoedigd om werknemers die overtollig dreigen te worden in dienst te houden en te herscholen door loonkostensubsidies. Deze kunnen tot negentig procent van het loon oplopen.

Inderdaad, de Zweedse arbeidsmarktinstanties beschikken over meer mogelijkheden om werklozen aan het arbeidsproces te laten deelnemen dan in Nederland het geval is. Dat zijn niet alleen negatieve sancties, zoals het stopzetten of korten van de werkloosheidsuitkering wanneer de werkloze een aangeboden baan of scholing weigert, maar vooral positieve financiele prikkels. De reden waarom het Zweedse model toch niet zo geschikt wordt geacht als lichtend voorbeeld voor ons land is niet zozeer dat het te hardvochtig zou zijn, maar dat het gebaseerd is op de gedachte dat ontwikkelingen en processen op de arbeidsmarkt kunnen worden gestuurd door overheidsorganen, samen met partijen op de arbeidsmarkt. Wij zijn toch al lang af van het achterhaalde sociaal-democratische waandenkbeeld dat de samenleving maakbaar zou zijn? Of niet soms?