Een infanterist twijfelt nooit

Het grootste deel van de Amerikaanse militairen die actief waren in de oorlog in de Golf is weer terug in de Verenigde Staten. Een groep Europese journalisten was dezer dagen te gast bij de 24ste infanteriedivisie, die inmiddels weer thuis is op haar basis bij Savannah (Georgia).

FORT STEWART, 11 JUNI. Sergeant Jay Brizel, afkomstig uit een familie met een lange militaire traditie, straalt een ingehouden trots uit als hij de Apache-helikopter toont waaraan hij tijdens de operatie Desert Storm heeft gewerkt.

Tijdens de inval in Irak zorgde hij er voor dat dit vliegende gevaarte steeds weer van nieuwe munitie en raketten werd voorzien. Met glinsterende ogen zegt hij “Als je ze dan terug zag komen met lege rekken en je zag de tevreden gezichten van de bemanning, dan wist je direct dat de operatie weer geslaagd was.”

Jay Brizel is een van de achttienduizend militairen van de 24ste gemechaniseerde infanteriedivisie, die door de rol die zij aan het einde van de Tweede Wereldoorlog speelde in de strijd tegen de Japanners op de Filipijnen de bijnaam 'Victory Division' verwierf. Het motto van de divisie is 'first to fight', een zinspreuk die uit het begin van de Tweede Wereldoorlog kwam. Toen de Japanners op 7 december 1941 Pearl Harbour aanvielen waren soldaten van de 24ste divisie er als eersten bij om hun wapens in veiligheid te brengen. Zij slaagden er in vijf Japanse vliegtuigen neer te halen, waarbij men aan eigen kant acht soldaten verloor.

Op de bronzen penning die Jay Brizel mij overhandigt in Fort Stewart, de thuisbasis van de 24ste divisie, staan ze allemaal, de plaatsen waar de grote successen werden behaald: Tanamerah Bay aan de noordkust van Nieuw-Guinea, de invasie op het eiland Leyte, een van de gevaarlijkste die werd ondernomen, Corregodor, Mindanao en ten slotte Taejon in Korea (1950), waar de toenmalige commandant, generaal-majoor Dean, een Medal of Honor won en een nationale held werd door zijn houding als krijgsgevangene van de Noordkoreanen. “Zodra er een nieuwe penning wordt geslagen, zal Zuid-Irak er ook op worden vermeld”, zegt de huidige baas van de 24ste divisie, generaal-majoor Barry McCaffrey.

Ondanks het feit dat de Verenigde Staten al 25 jaar geen dienstplicht meer kennen was het voor Jay Brizel vanzelfsprekend dat hij in het leger zou gaan. Zoals in zovele families in het zuiden van de Verenigde Staten is het al dan niet tijdelijk in het leger gaan “iets dat je gewoon voor je land doet”. Bovendien is het een aardige manier op een opleiding te krijgen. Jay zelf, begin twintig, heeft voor vijf jaar getekend. Zijn vader zat bij de kustwacht, zijn grootvader in het leger. Die militaire familietraditie loopt door alle rangen van de 24ste divisie heen, want ook de schoonvader van generaal McCaffrey, de al voor het uitbreken van de Vietnamoorlog gepensioneerde kolonel Faulkner, is aanwezig en hij steekt de trots over zijn schoonzoon niet onder stoelen of banken. En voor zijn kleinkinderen hoeft hij zich ook al niet te schamen: Sean McCaffrey is kapitein bij de 82ste luchtlandingsdivisie en Tara McCaffrey werkt als verpleegster in het legr en is inmiddels tweede luitenant.

Als Faulkner hoort dat ik uit Nederland kom, neemt hij me even terzijde om op een bijzonder kenmerk van het Amerikaanse leger van vandaag te wijzen: “Het Amerikaanse leger is geheel drugsvrij. Als je met drugs in aanraking komt, vlieg je er uit. In mijn tijd was de mentaliteit wel even anders, toen dronk iedereen tot op het hoogste niveau. Nu is het hele leger in actieve dienst ook alcoholvrij”. Een hang naar het verleden is bij de kolonel dan ook niet te bespeuren. Hij wil nog wel even kwijt dat hij tegen de oorlog in Vietnam was: “Dat was een politieke oorlog, ik ben daar nooit voor geweest, ondanks het feit dat mijn eigen kinderen er in zaten.” Zijn schoonzoon raakte er in 1969 zwaar gewond en lag een jaar in het ziekenhuis. Dat leverde hem onder meer de onderscheiding Purple Heart op.

Generaal McCaffrey en zijn vijf commandanten, Le Moyne, Kern, Townsend, Tackaberry en King, zijn maar al te graag bereid hun aandeel in de oorlog tegen Irak uiteen te zetten. Zij hebben er een hele morgen voor uitgetrokken. Een door de divisie zelfgemaakte film van de gevechtshandelingen, die bijna het karakter van een lange videoclip heeft, leidt hun verslag in.

De titelsong is 'You are my hero'. En daarna zwaaien de commandanten van de verschillende brigades elkaar om strijd lof toe voor de geleverde prestaties.

Hoe het uiteindelijke krijgsplan er uit zou zien, wist de militaire top van de 24ste divisie al in november. Het 'Go West' was al heel vroeg bekend. “Toen we ons daadwerkelijk verplaatsten, kwamen we niet meer in de pers. Wel gingen in die periode - om bij niemand argwaan te wekken - door een mobiele telefooncentrale alle telefoongesprekken gewoon door.

In totaal zijn er dertigduizend gesprekken met het thuisfront gevoerd, zonder dat het veiligheidsrisico ook maar een keer werd gebroken. Dat wijst op de enorme zelfdiscipline waarover onze soldaten beschikken, dat ze niet zeiden waar ze waren'', aldus een van de commandanten.

Generaal McCaffrey is nog altijd verbaasd over de snelheid waarmee de operatie tegen Irak is uitgevoerd. “Ik had voorspeld dat we tussen de tien dagen en de vier weken nodig zouden hebben om bij de Eufraat te komen. We waren er al in twee dagen. Ik verwachtte verder dat de operatie ons ten minste driehonderd doden en gewonden, maar wellicht drieduizend slachtoffers zou kosten, wat normaal is voor een infanteriedivisie. Het waren uiteindelijk acht doden en 36 gewonden.” Over het aantal Irakezen dat tijdens de operatie gedood is heeft McCaffrey geen idee. Duizenden Iraakse soldaten zijn nooit aangetroffen, velen zijn eenvoudig weggelopen toen de geallieerden eraan kwamen. Anderen gaven zich onmiddellijk over. Ook van de omvang van de materiele vernielingen heeft de generaal geen idee. Wel weet hij dat in een paar dagen meer vijandelijke munitie is vernietigd dan in de hele Vietnamoorlog.

Velen schrijven de overwinning van de geallieerden toe aan het geavanceerde militaire materieel waarover de strijdkrachten konden beschikken, maar volgens McCaffrey is dat niet doorslaggevend geweest. “Het was een combinatie van bereidheid om te vechten, vuurkracht, snelheid en luchtoverwicht. Vooral de doctrine en de 'spirit' waren van belang. Ze werden gewoon overweldigd. Het was gewoon 'too much too fast' voor de Irakezen”, aldus de generaal.

Bob Woodward schrijft in zijn boek 'The Commanders' over de militaire en politieke besluitvorming die leidde tot de operaties Desert Shield en Desert Storm, dat het geallieerde aanvalsconcept in Irak gebaseerd was op de campagne van generaal Grant in 1863 ten tijde van de Amerikaanse Burgeroorlog. “In plaats van een directe aanval op de fortificaties van de vijand, stuurde Grant zijn troepen in een wijde beweging om de frontlinie van de Confederatie heen en viel toen van opzij en van achteren aan. Deze indirecte benadering werd (ook) geacht de beste manier te zijn om Saddam te verslaan.” Generaal McCaffrey hierover: “Je kunt gerust stellen dat het wezen van de oorlogvoering niet is veranderd.

Wat we toepasten in Irak was de 'indirecte benadering' uit de handboeken. Zeg maar Clausewitz.''

Een Amerikaanse kerkhistoricus heeft de Verenigde Staten eens omschreven als “een natie met de ziel van een kerk”. De juistheid van die stelling blijkt eens te meer bij het begin van de lunch. “Ik zal een vrijwilliger aanwijzen voor het uitspreken van een gebed”, zegt de in de mess dienstdoende officier. En dan, na een korte aarzeling: “Nee, ik zal het zelf doen.” Hij spreekt geen formuliergebed uit, maar legt in zeer directe bewoordingen de noden van de wereld voor aan God, alvorens een zegen te vragen voor de maaltijd en de ontmoeting tussen militairen en journalisten. “One nation under God.”

Op en bij het uitgestrekte terrein van Fort Stewart staan tussen de acht en tien kerken - majoor O'Brin die de voorlichting doet, weet het aantal niet exact - waarin de verschillende denominaties zaterdags en zondags bijeenkomen.

Dus kan er ook in de officiersmess hardop gebeden worden. De lunch wordt opgeluisterd door de afdeling entertainment van de 24ste divisie. Een rossige soldaat zingt: “I am a yankee, doodledee”. Een zwarte sergeant zingt met een stem waar de glazen ijsthee van rillen, Gershwins Summertime. En dan volgt de swingende song die het vooral in Irak goed heeft gedaan:EP)“When we were needed We were there It was not always easy It was not always fair But when freedom comes, The answer: we were there!”

Jay Brizel, naast mij aan tafel, geniet zichtbaar. Dan is het tijd voor het slotwoord van de generaal: “De grootste bijdrage die het leger wil geven aan dit land is het bewaren van de vrede. Ik heb vijf jaar op het slagveld en in het ziekenhuis doorgebracht en ik hoop dan ook echt dat het nooit meer oorlog wordt”, en: “We hebben een onvoorwaardelijk geloof, we hebben een enorm zelfvertrouwen.

Tegen mijn manschappen zeg ik: Een infanterist is vaak fout, maar hij twijfelt nooit. We hebben geen bravoure, geen zin om te vechten, maar we steunen een concept: de constitutie van de Verenigde Staten.''

Er volgt een rondleiding langs buitgemaakte Iraakse materieel dat op Fort Stewart is opgeslagen. De T-72 tank wordt bekeken en dan volgen de BMP, een gepantserd voertuig voor de transport van personeel, het verkenningsvoertug BRDM-2RKH, door de Irakezen zelf in licentie vervaardigd, D-30 artillerie met een bereik van 21 tot 29 kilometer die zeven a acht granaten per minuut, eventueel met chemische lading, kan afschieten. Plus de G-5, een artilleriestuk van Zuidafrikaanse makelij dat zelf kan rijden en dat een bereik heeft van veertig kilometer. Majoor Peterson, die ons langs het tuig leidt, zegt dat de Irakezen heel creatief zijn geweest in het aanpassen van hun materieel aan de omstandigheden ter plaatse.

Die aanpassingen hebben bij nader onderzoek tot enige verrassende conclusies geleid, maar wat die conclusies zijn, kan hij niet zeggen: militair geheim.

De militairen van Fort Stewart hebben inmiddels hun parade gehad in Savannah (Georgia), al voor de grote parades van Washington en New York. De voorzitter van het organiserende comite in Savannah, mevrouw Jenny Stacey, heeft daarop wel kritiek gekregen. Sommige Vietnam-veteranen en hun familie vinden dat de soldaten uit de Golf geen recht hebben op een parade, aangezien zij bij terugkeer uit Vietnam ook geen parade kregen. Familieleden van soldaten die nog in de Golf zijn, vinden dat er gewacht moet worden tot alle manschappen uit het Golfgebied terug zijn.

In een wegrestaurant, halverwege Fort Stewart en Savannah, staat met viltstift op een kartonnen bordje geschreven: “Het personeel van Denny's draagt een gele band ter ere van onze troepen in het Midden-Oosten en hoopt op een veilige terugkeer naar huis.” Ook ter ere dus van Jay Brizel, die het gelukkig allemaal kan navertellen. “Soldaat van het jaar”, staat er op zijn naamplaatje, een onderscheiding waar hij trots op is.