Bob Woodward achter de kamerschermen van het Witte Huis en het Pentagon (2); Inlichtingendienst DIA verkeek zich op Saddam

Op maandag 30 juli verzond Pat Lang per modem een uiterst geheime boodschap aan de directeur van de DIA (militaire inlichtin(J)gendienst), luitenant-generaal Harry E. Soyster, en aan de andere afdelingshoofden van de dienst. Het beveiligde interne modemcircuit, E-mail geheten, garandeerde een uiterst snelle communicatie per computer met de baas. Soyster besliste of een bericht mocht circuleren.

“Ik heb het patroon van de versterkingen aan de Koeweitse grens bestudeerd”, tikte Lang op zijn Zenith-386-computer.

“Er zijn bewegingen van artillerie en logistiek en ook van vliegtuigen. Sadd Hussein heeft hier geen enkele reden toe en als hij de bedoeling heeft Koeweit te intimideren is het wel heel vreemd. Hij heeft een troepenconcentratie bijeengebracht waarmee hij heel Koeweit en het oosten van Saoedi-Arabie onder de voet kan lopen. Als hij aanvalt, zal dat, gezien zijn instelling, zonder waarschuwing geschieden.

Ik geloof niet dat hij bluft. Ik heb zijn persoonlijkheidsprofiel bekeken. Hij kan niet bluffen. Dat past niet in zijn gedragspatroon.

Ik vrees dat Koeweit zo weinig genegen is o zijn eisen in te gaan, dat men zelfs zijn geringste verzoek niet zal inwilligen.

Kortom, Saddam Hussein heeft troepenbewegingen in gang gezet die - als hij wil bluffen - in geen enkele verhouding staan tot het doel. Ik zie maar een mogelijkheid: hij is van plan zijn troepen te gebruiken.''

De interpretatie dat Saddam alleen wilde intimideren, wilde er bij Lang niet in. Koeweit had niet de beschikking over een inlichtingendienst met voldoende capacitt of satellieten om de grootte van de Iraakse troepenconcentratie aan de grens waar te nemen. Alleen de Verenigde Staten konden dat met zekerheid vaststellen en Saddam kon niet weten of zij dat zouden doorgeven. Dus als die honderdduizend manschappen alleen bedoeld waren als machtsvertoon, was dat verspild aan degene die gemponeerd moest worden - Koeweit.

Met een druk op de juiste toets verzond hij het bericht. Er waren te veel mensen betrokken bij het voorbereiden van de rapporten van de lichtingendiensten, die door veel te veel handen gingen, vond Lang. Die rapporten streken veelal de verschillen glad tot er uiteindelijk een nietszeggend geheel ontstond. De vuistregel van de inlichtingendienst was dat men zich niet mocht vergissen. Een analist hoefde geen gelijk te hebben, maar het was wel ellendig als hij zich vergiste. Dus in de officiele rapporten en nationale schattingen werd een forse slag om de arm gehouden.

Lang wilde dat zijn nieuwe analye insloeg als een bom. De vreselijke waarheid was, zo besefte hij, dat als de beleidsmakers een bepaald idee of interpretatie in hun hoofd hadden niets hen op andere gedachten kon brengen, zelfs niet de evaluatie van een inlichtingendienst, ook al sloeg die in als een bom. Het besluit om iets niet te willen geloven kon een machtige drijfveer zijn. En hij kon tenslotte niet bewijzen dat die troepen niet zouden worden ingezet. Hij had nog een ander motief. Eerder die maad had hij een seminar van de Rand Corporation bijgewoond, waarbij de deelnemers een Iraakse bedreiging aan het adres van Koeweit moesten bestuderen. Ze besloten dat de enige effectieve manier om zo'n situatie te verhinderen, een waarschuwing van de president van de Verenigde Staten aan Saddam zou zijn, dat als hij de grens overschreed, de Verenigde Staten tot vergeldingsmaatregelen zouden overgaan. Lang deed die suggestie niet in zijn boodschap; hij was inlichtingenofficier en het doen van aanbevelingen voor een beleid was niet zijn taak.

Soyster deelde Lang mee dat hij zijn visie niet deelde. De directeur van de DIA kon niet geloven dat Saddam iets zo anachronistisch als een ouderwetse bezetting zou uitvoeren.

Dat soort dingen deden regeringen niet meer. Maar Soyster wist ook dat hij Langs boodschap niet kon negeren. Hij liet kopieen persoonlijk overhandigen aan Cheney en Powell, met een kort begeleidend schrijven, waarin hij hun aandacht vestigde op de concusie van Lang.

Powell vond dat de interpretatie van Lang niet meer was dan een persoonlijke inschatting, niet gebaseerd op nieuwe harde informatie. De communicatie en de munitiebevoorrading in Irak waren nog niet op peil en er was nog geen Iraaks luchtmachtmaterieel in positie om een grondaanval te ondersteunen.

Adjunct-directeur Kerr van de CIA zei ook tegen Powell dat er wel een invasie kon komen, maar dat de CIA dit nog niet in een rapport had vastgelegd. Daardoor kreeg Powell de idruk dat ook dit slechts een inschatting van deskundigen was. Ook hier was wederom kennelijk sprake van een persoonlijke conclusie en Powell zag nog geen harde feiten om die te steunen.

Nadat Lang zijn boodschap had verzonden, kreeg hij opdracht om de ambassadeur van Koeweit in Washington van de troepenconcentratie op de hoogte te stellen. Hij beschreef de situatie zeer gedetailleerd en vroeg: “Bent u van plan om iets te ondernemen?” “Wat kunnen we dan ondernemen”, antoordde de ambassadeur.

Tijdens zijn gebruikelijke persconferentie op donderdag 31 juli om twaalf uur kreeg Pete Williams een vraag voorgelegd over een verhaal op pagina 16 van The Washington Post van die dag. “Hebben de Irakezen inderdaad honderdduizend man verplaatst naar de Koeweitse grens?”

“U vraagt mij hiermee feitelijk in te gaan op inlichtingenmateriaal dat ik hier niet kan bespreken”, zei Williams.

De verslaggever hield aan: “U hebt i het verleden ook niet geweigerd ons bepaalde informatie te geven, u zei alleen niet hoe u eraan kwam. Kunt u niet bevestigen dat die troepen daar inderdaad liggen?”

“Ik heb rapporten gezien over de troepen aldaar”, antwoordde Williams, die de beleidslijn volgde dat de kwestie zo veel mogelijk afgezwakt diende te worden. “Maar we zijn hier nooit op de aantallen ingegaan en hebben nooit nader commentaar gegeven. Ik denk dat het ministerie van buitenlandse zaken zich misschien heeft uitgelaten over zijn bezorgdheid over de troepenconcentraties in dat gebied, en we kunnen wel verder bespreken wat onze belangen in de Golf zijn, maar we hebben nooit cijfers of dergelijke informatie gegeven.”

Toen Lang op woensdagochtend 1 augustus om zes uur op zijn kantoor arriveerde, wachtten een paar leden van zijn staf hem daar al op. Ze lieten hem de nieuwste beelden zien van de grens van Irak en Koeweit, die enige ogenblikken tevoren bij de DIA waren binnengekomen.

Alle drie de Iraakse pantserdivisies hadden zich ontvouwd en waren opgerukt tot minder dan vijf kilometer van de grens met Koeweit. Het was een adembenemend mooie militaire manoeuvre.

Hammoerabi en God is ons Betrouwen hadden stellingen betrokken in de buurt van de grote vierbaansweg naar het centrum van Koeweit. Honderden tanks stonden in linie opgesteld - allemaal op Koeweit gericht, op vijftig tot vijfenzeventig meter van elkaar. Het was een dodelijke, kilometers lange lnie. De artillerie had zich achter de tanks opgesteld.

De Lichtende Divisie van Medina had een omtrekkende beweging gemaakt naar het westen van Koeweit. Ook deze tanks stonden in kilometers lange linies opgesteld.

Commandotanks hadden zich in een traditionele slagorde opgesteld achter de middenlinie van de divisies.

Lang realiseerde zich dat hij zich had vergist toen hij dacht dat er geen waarschuwing was geweest. Saddam ging weloverwogen te werk. Lang bekeek snel alle beelden en het drong tot hem door dat de pantsereenheden hun bedoelingen niet duidelijker hadden kunnen maken. Het was alsof iemand voor zijn ogen een geweer had geladen, had gericht en zijn vinger aan de trekker had gelegd. Nu zag hij hoe de spieren in die vinger zich spanden; dat alles gebeurde in slow motion waar hij bij stond.

De foto's toonden ook dat de Irakezen een stuk of tachtig helikopters naar de grens hadden gebracht in een klassieke gevechtsopstelling.

Lang stelde een zeer geheime waarschuwing op - hoogste prioriteit - waarin hij de situatie beschreef en een aanval voorspelde, die nacht of uiterlijk de volgende ochtend. Er werd een speciaal topsecret bulletin naar de hoogste functionarissen in het Pentagon gestuurd. Het gerucht verspreidde zich razendsnel door het gebouw onder degenen die toegang hadden tot deze informatie: de staf voor het Midden-Oosten had een lange nacht voor de boeg.

Die ochtend las Powell een evaluatie van de CIA, waarin werd gemeld dat alles erop wees dat Saddam op het punt stond Koeweit binnen te vallen. Powell wist dat het menens was. De CIA probeerde zo veel mogelijk een al te alarmistische houding te vermijden. Nu kwamen de waarschuwingen van de DIA binnen.

Niet alleen had Saddam zijn tanks die nacht opgesteld, maar ook de verbindingen, artillerie, munitie, logistiek en luchtmacht waren geheel op peil. Er was een grote militaire verbinding tot stand gebracht. Powell besefte echter dat bij totalitaire regimes een goed inzicht in de manier van denken van de leider de enige manier is om zeker te kunnen zijn van een bepaalde intentie, en noch de CIA, noch de DIA had goede bronnen in de Iraakse regering. Hij was niet helderziend, maar er was wel een groot veldleger vlak voor hun ogen uit de grond gestampt. Koeweit - goeie God, dacht Powell, Irak had het zelfs met de gemeentepolitie nog wel onder de voet kunnen lopen.

Later die ochtend woonde Powell een vergadering met Chenover kernwapenbeheersing bij. Een van de onderwerpen die werden besproken was een waterdichte, wereldwijde procedure waarmee de Verenigde Staten het ongeoorloofd tot ontploffing brengen van kernwapens kon uitsluiten. Daarna ging Powell naar een lunch, gegeven door de president van het Westafrikaanse Togo, die op staatsbezoek was.

Schwarzkopf gaf die middag een briefing aan de Gezamenlijke Chefs van Staven en minister Cheney, in de Tank. Hij geen status report over de locatie van de honderdduizend Iraakse manschappen en zei dat zij in een positie lagen waarmee Saddam alle kanten uit kon - hij hoefde niet per se een inval in de zin te hebben. Hij voorspelde geen invasie of grensoverschrijding.

Cheney was het met hem eens dat alles wat Saddam zou doen om een invasie voor te bereiden, net zo goed kon dienen om Koeweit alleen maar te intimideren. Het was onmogelijk uit te maken. Saddams bluf was alleen geloofwaardig als hij alles deed wat hij zojuist had gedaan: de tanks in stelling brengen, ze naar de grens verplaatsen en alle verbindingen, munitie en logistiek op peil brengen. Saddam zou kunnen vermoeden dat de Verenigde Staten hun inlichtingen zouden doorgeven aan Koeweit en het juiste aantal, honderdduizend manschappen, had de dag daarvoor in The Washington Post gestaan.

Schwarzkopf zei dat hij weinig of niets kon doen. Er waren slechts tienduizend Amerikaanse militairen in de regio aanwezig, bijna uitsluitend n de marine. Het Centraal Commando had geen grondtroepen in de buurt. Schwarzkopf noemde in het kort het Plan 90-1002 van het Centraal Commando, een zeer geheim rampenplan om ongeveer honderdduizend man in een tijd van drie tot vier maanden naar het desbetreffende gebied over te brengen. 'Tien-nul-twee', zoals het plan in de wandeling werd genoemd, vond zijn oorsprong in de vroege jaren tachtig, toen de Gezamenlijke Chefs van Staven een aantal standaardplannen had ontworpen voor de Sovjet-Unie of Iran.

Een gedetailleerd plan voor transport en logistiek maakte er deel van uit. Op Dag 1, volgens het plan, konden er tactische F-15-straaljagers naar het gebied worden gestuurd; op Dag 7 waren de meest parate grondtroepen, de zogenaamde Division Ready Brigade, ter plaatse; op Dag 17 zouden de stoottroepen uit de Verenigde Staten arriveren en door de MPS-schepen vanuit Diego Garcia worden bevoorraad met munitie, materieel en voedsel; pas op Dag 2 begonnen de zware tanks binnen te komen.

Er was echter een groot nadeel: men had dertig dagen voorbereiding nodig voordat men feitelijk met het plan kon beginnen.