'Bewijs in Ira-moordzaak mag grootste flut zijn'

's-HERTOGENBOSCH, 11 JUNI. “Ik zie de laatste tijd een paradox in de Nederlandse rechtspraak: hoe ernstiger de zaak, hoe onzorgvuldiger er mag worden omsprongen met het bewijs. In zaken waar een straf van drie maanden op het spel staat, wordt de grootst mogelijke zorgvuldigheid vereist voor de bewijsvoering, terwijl in een proces als dit, waar iemand voor de moord op twee mensen tot een straf van achttien jaar is veroordeeld, het bewijs de grootste flut mag zijn.”

De Leidse hoogleraar in de toegepaste functieleer, prof. dr.

W.A. Wagenaar, heeft geen goed woord over voor de manier waarop het recherchebijstandsteam in de Roermondse IRA-zaak getuigenverklaringen heeft onderzocht. Op verzoek van de verdedigers van de vier verdachten, die in hoger beroep terechtstaan voor het gerechtshof in Den Bosch, gaf de geheugendeskundige vorige week in de rechtszaal uitvoerig commentaar op de verklaringen van getuigen, die zeggen een of meer verdachten voor of na de aanslag te hebben gezien.

Hij gaf toen al aan dat er onnodig fouten zijn gemaakt die door betere procedures te vermijden waren geweest. Nu is hij nog feller in zijn kritiek: “Als de procedures voor het herkennen van verdachten behoorlijk waren toegepast, had de rechter nu niet zo klem gezeten. Bepaalde bewijsmiddelen mogen dan wettig zijn, mij lijken ze beslist niet overtuigend. Het risico is helemaal voor de verdachte; je kunt allerminst uitsluiten dat het effect is dat onschuldigen voor vele jaren achter de tralies verdwijnen.”

Wagenaar richt zijn kritiek vooral op de methodes die gebruikt zijn om na te gaan of de vier verdachten, die in het weekeinde van 16 en 17 juni vorig jaar in de bossen bij Chaam werden gearresteerd, inderdaad op 27 mei in Venlo en Roermond zijn geweest. Wagenaar: “De politie heeft schandalig gefaald. Men wist dat er ooggetuigen waren die mogelijke daders hadden gezien. Waarom zijn die niet eerst met de verdachten geconfronteerd, voordat de foto's via alle media werden verspreid? Als je dat gedaan had, waren we er zeker van geweest dat de getuigen de daders later niet van de foto's herkenden, maar van wat ze op de avond van de aanslag hebben gezien.”

Pas twee weken na de arrestatie van de vier verdachten kregen de ooggetuigen een map met 36 foto's te zien, waar precies dezelfde portretten tussen zaten als door de media waren verspreid. Een inwoner van Roermond, die samen met zijn vrouw de vluchtauto voorbij heeft zien komen, zegt dat hij de verdachte Gerard H. al had herkend, toen zijn portret op 18 juni in het NOS-journaal werd getoond. Maar de man verzuimde dat door te geven aan de politie. Op 3 juli herkende hij nummer 10 in de fotomap als de man die hij na de aanslag had gezien. Zijn vrouw, die een halve dag later de map te zien kreeg, wees eveneens nummer 10 aan. Zij heeft altijd beweerd dat zij van tevoren nooit een foto van Gerard H. heeft gezien, maar daar staat tegenover dat het echtpaar 's middags uitgebreid de gelegenheid heeft gehad over het verhoor van de man te praten.

De verklaringen van het echtpaar zijn van doorslaggevende betekenis voor de veroordeling van Gerard H., die in Roermond als enige werd veroordeeld. Wagenaar noemde de herkenning van H. door de man “ongeldig” en vond dat ook de waarde van de herkenning door de vrouw moet worden betwijfeld, omdat niet duidelijk is in hoeverre zij door haar man is benvloed. De echtelieden worden morgen voor het hof als getuige gehoord.

Wagenaar hekelt ook de 'Oslo-confrontatie' die in oktober is geouden om tegemoet te komen aan een verzoek van de verdediging. Daarbij wordt een verdachte samen met vijf gelijkende personen achter een doorkijkspiegel geplaatst.

Volgens de hoogleraar kan die confrontatie nooit gelden als een kritische toets voor de waarde van een herkenning, als de getuige van tevoren al foto's heeft gezien van degene die hij moet herkennen.

Voor de manier waarop Oslo-confrontaties en fotoherkenningen gehouden worden, bestaan tot op heden geen vaste procedureregels. Wel zijn er richtlijnen opgesteld door de landelijke recherche-adviescommissie, maar die hebben volgens Wagenaar een te vrijblijvend karakter: “Als je je ervan bewust bent hoe feilbaar het geheugen is, pas je de methodes toch aan om twijfels uit te sluiten? Er ligt in de rechtszaal bijvoorbeeld een wapen op een tafeltje. Als de rechter een getuige vraagt of hij dat wapen herkent, zegt hij allicht ja.

Op zulke details kunnen mensen veroordeeld worden. Waarom leg je dan niet vershillende wapens op dat tafeltje en vraag je de getuige het goede aan te wijzen?''