WAO, ook een organisatorisch probleem

Waarom is de WAO zo'n moeilijk onderwerp? Negen op de tien Nederlanders zullen antwoorden: wegens de moeilijke politieke afweging tussen twee moeilijk te combineren wensen: solidariteit met de gehandicapte medeburger en tegelijkertijd een goed werkende arbeidsmarkt. Uit het politieke debat krijgen velen de indruk dat de balans de afgelopen twintig jaar steeds meer is doorgeslagen naar die solidariteit met invaliden, en dat nu op een of andere wijze de WAO een stuk goedkoper moet worden. Onvermijdelijk lijkt dat een politiek debat, want hoe kan men objectief de fatsoenseis van solidariteit afwegen tegen de economische noodzaak van een sterkere arbeidsmarkt?

Voorzover de discussie inderdaad politiek is, moet dan de politiek, dus het parlement, maar beslissen. Maar er is nog veel meer aan de hand, en dat blijft vaak slecht belicht omdat belanghebbende partijen, de bedrijfsverenigingen en de sociale partners,daar liever niet te indringend over spreken. In ons Nederlandse corporatistiche systeem zijn die immers verantwoordelijk voor grote delen van de organisatie en uitvoering van de ziektewet en de WAO en dat verklaart waarom het voor vakbeweging en werkgevers veel aantrekkelijker is om de politiek besluiteloosheid te verwijten dan de hand in eigen, organisatorische boezem te steken. Een van de beste bronnen over de WAO - ook geciteerd in het nieuwe rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid - is een bijlage van Vrij Nederland uit november 1987 door Ursula den Tex en Elma Verhey. Treffend illustreert hun verslag wat een organisatorische wanhoop ziektewet en WAO zijn geworden, en tevens dat van de sociale partners in ieder geval geen oplossing valt te verwachten. Om met dit laatste punt te beginnen, wat moeten we denken van J. Grobbee, beroepsbestuurder bij de FNV, die verklaart: “er is geen enkel bewijs voor de stelling dat de WAO oneigenlijk is gebruikt”. Aan het eind van het artikel krijgt Grobbee de kans om zijn organisatorische wensen te vertolken. Hij wil de gemeenschappelijke medische dienst (GMD) inlijven bij de bedrijfsverenigingen en daarmee onder directe controle brengen van vakbonden en werkgevers. In de nieuwe bedrijfstakkantoren moet de vakbond een eigen winkeltje kunnen openen, “bijvoorbeeld in de hal... daarmee kunnen we natuurlijk veel meer aan directe belangenbehartiging van onze leden doen”. Een hooggeplaatste vertegenwoordiger van het VNO maakt in het artikel van Den Tex en Verhey een niet minder visionaire indruk: de heer Van Brussel verwerpt namens de werkgevers elk idee om bij de WAO premie onderscheid te maken naar bedrijfstak of bedrijf. Tot zover de deskundige inzichten van de specialisten uit de kring van de sociale partners. Die povere oogst is wat men kan verwachten in een corporistische samenleving waarin pressiegroepen van belanghebbenden voortdurend het hoogste woord voeren over onderwerpen die de wetenschap moet analyseren en de politiek moet oplossen. Bij ons in Nederland lopen diagnose en remedie, zakelijke discussie en ideologische controverse, zo door elkaar omdat universiteiten of onafhankelijke research instituten financieel niet sterk genoeg zijn om over het geweld heen te komen van de belangengroepen. Stelt u zich voor dat de discussie over veiligheid en openbare orde direct overging tot de vraag: “hebben wij genoeg over voor de politie?”, zonder eerst te kijken of de organisatie van de politie wel optimaal is. Of dat we direct politiek debatteren voor of tegen anderhalf procent ontwikkelingshulp zonder goed na te gaan waar al die miljoenen in Zambia of Bangladesh precies gebleven zijn. Toch gaat het zo met dit debat over ziektewet en WAO. De vakbonden spelen hun machtsspel met de GMD (wat gelukkig door de Tweede Kamer als zodanig is onderkend); de werkgevers hebben geen behoefte om de analyse te beginnen met het feit dat zij de WAO in het verleden oneigenlijk hebben gebruikt om goedkoop oudere werknemers af te laten vloeien, ondanks de dissertaties van Van den Bosch en Petersen uit 1983 en het onderzoek van Aarts en De Jong uit 1982. Veel liever roepen de sociale partners dat de politiek onmachtig is om heldere keuzes te maken. De verantwoordelijkheid van vakbonden en werkgevers voor de foute organisatie van ziektewet-WAO begint al in de ziektewet-periode. In 1985 beslisten zij in de SER dat de gemeenschappelijke medische dienst na zes maanden ziekteverzuim de kans krijgt om met de zieke werknemer te spreken. Echter, de procedures bij de bedrijfsverenigingen zijn zo slordig dat in dertig a veertigduizend gevallen per jaar het eerste serieuze onderzoek door artsen en arbeidsdeskundigen van de GMD pas plaats vindt nadat de zieke werknemer al zijn of haar WAO-uitkering ontvangt. De GMD zou natuurlijk alle dossiers moeten ontvangen van iedereen die langer dan een paar weken ziek is, maar daartoe zijn de bedrijfsver(JHigingen niet bereid of in staat, wat niet alleen veel geld kost maar ook slecht is voor de psychische gezondheid van zieke werknemers. Uit een grote enquete onder aspirant-WAO'ers blijkt hoe subjectief en onzeker de oordelen zijn die artsen en arbeidsdeskundigen moeten uitspreken over de aankomende WAO'ers. Aarts en De Jong van de RU Leiden onderzochten een steekproef van bijna drieduizend langdurzieke Nederlanders die door twee artsen onafhankelijk waren beoordeeld. In veertig procent van de gevallen waren de medici het niet eens over de werkkansen van de toekomstige WAO'ers. Aan deze wetenschappelijke bevinding zou ik de volgende organisatorische consequenties willen verbinden: - een snelle beroepsprocedure voor iedereen die meent dat zijn of haar handicap niet voldoende is erkend; - een automatische tweede keuring in alle gevallen waar recht op een uitkering bestaat; - een beperkte geldigheidsduur van bijvoorbeeld drie totijf jaar voor alle geheel of gedeeltelijke afkeuringen. Zulke organisatorische veranderingen liggen voor de hand maar zijn niet voldoende. Ook de 'incentives' voor werkgevers om zorgvuldiger met hun mensen om te gaan moeten verbeteren. Uit een ander onderzoek naar aspirant-WAO'ers bleek dat eenenveertig procent van hen gedurende de twaalf maanden in de ziektewet nooit waren benaderd door hun werkgever. Dit schandelijke cijfer is de beste aanbeveling om onmiddellijk de premies voor de ziektewet die bedrijven betalen in hoge mate afhankelijk te maken van het ziekteverzuim per bedrijf. Uit ervaringen bij Philips en in Rotterdam in de haven weten we dat daardoor het ziekteverzuim met ongeveer een derde kan dalen. Daardoor wordt het ook voor de GMD gemakkelijker om al na ziekteverzuim van een of twee maanden serieus aandacht te gaan besteden aan alle langdurig zieke werknemers. Eerst de organisatie van ziektewet en de WAO verbeteren. Dan de juiste prikkels creeren; m name voor de werkgevers om mensen niet meer weg te sturen naar de WAO. Daarbij zorgen dat we niet hoeven af te gaan op FNV, VNO, of de bedrijfsverenigingen bij de controle van de uitvoeringspraktijk. Pas als dat allemaal mislukt zit er niets anders op dan het moeilijke politieke debat aan te gaan, hoeveel er mag worden bezuinigd op de WAO. Maar misschien is dat dan niet eens meer nodig.