Soldaten Ethiopie voelen zich verraden

ADDIS ABEBA, 10 JUNI. Dit zijn de verliezers. Op Janmeda, een gigantische vlakte in de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba, waar de Koptische kerk ieder jaar de doop van Jezus herdenkt, bivakkeren nu bijna 10.000 voormalige regerigssoldaten. Aan de rand van het veld stapelen de uitwerpselen zich op. Een glimlach valt hier niet te vinden, de mensen kijken somber of zonder enige emotie voor zich uit.

Een jongen heeft het stukje onderbeen dat hem nog rest, over zijn kruk geslagen. Op zijn T-shirt staat een woest kijkende Rambo, de jongen blikt apathisch. “Ik voel niets”, is het enige wat hij wil zeggen. Een oudere man vat de discussie op. “Mengistu heeft ons veaden”, zegt hij, “Hij beloofde ons tot de laatste druppel bloed, tot de laatste soldaat te zullen doorvechten. Nu is hij gevlucht.” De omstanders knikken instemmend. “We trokken van het front in het noorden naar Addis Abeba om onze levens te redden, we zijn ziek”, vervolgt een jongen in oude legerplunje. “Vroeger hielp de regering ons, we kregen wat soldij. Maar de nieuwe machthebbers, nee, die laten ons stikken. De kerken geven ons wat voedsel. Vechten ineen leger wil ik niet meer, ik voel niets meer voor machthebbers, ik wil naar huis.” Opgesteld in lange, genummerde rijen ontvangt iedere voormalige regeringssoldaat een pakje biscuitjes, dat is het rantsoen voor vandaag. Op het grote veld staan sinds enkele dagen een paar tenten voor de zieken en voor behandeling van oorlogswonden. In een tent liggen 30 zwaar gewonden en zieken. Chronisch gekuch. “Ik was tien jaar aan het front gelegerd, tien jaar heb ik geleden”, zegt ee man met een oog. “Een soldaat heeft twee opties als hij naar het front gaat: winnen of verliezen. Ik accepteer de uitkomst, ik wil nu naar huis.” Overal hinken en strompelen mensen. Een oude man met een been is op de grond gaan zitten, de krukken naast zich, zijn blik op oneindig. “Ik werd aan het front gewond, ik kan niet meer lopen. Hoe kan ik naar huis gaan, mijn huis bevindt zich honderden kilometers hier vandaan.” Een zuster van een religieuze organisatie fluistert: “Vannacht stierven er vier mensen in die tent daar. Het is verschrikkelijkwe hadden in de ochtend niet eens door dat ze waren overleden. Wat kunnen we doen? Sommigen kregen de eerste vijf dagen niets te eten”. Vlak voor en na de machtsovername door het Ethiopische Revolutionaire Democratische Volksleger (EPRDF), twee weken geleden, trokken duizenden gedemoraliseerde soldaten van het vorige regime als zombies Addis Abeba binnen. Daar werden ze ontwapend. Zij die in de hoofdstad familieleden hebben, gingen op in de burgerbevolking. Maarduizenden komen van honderden kilometers verderop. Op Janmeda verbleven er tot gisterochtend ruim 7.000. Inmiddels hebben zich uit het noordelijke Asab 2.000 nieuwkomers bij hen gevoegd, onder wie vrouwen en kinderen, familieleden van de ex-regeringssoldaten. En ze blijven komen, uit alle delen van het land. Het EPRDF doet niets voor hen. De geesteloze mensenmassa wordt niet eens bewaakt door de overwinnaars. Vorige week gaf het EPRDF-bestuur bevel tot uitbetaing van salarissen aan ambtenaren, maar de voormalige regeringssoldaten bleven hiervan verstoken. Het Internationale Rode Kruis treft voorbereidingen om gewonden en voormalige politieke gevangenen naar hun woonplaatsen te vervoeren. Maar niet de kreupelen, de hongerigen en de anderen die niets bezitten. “We kunnen het hier niet langer aan”, verzucht een zuster, “er moet iets worden gedaan voor deze mensen”.