Socialisten en Duitsland

TWEE CONSTANTEN bepalen de Franse buitenlandse en veiligheidspolitiek. De een bevordert de nationale grandeur, koestert de illusie dat Frankrijk nog steeds een grote mogendheid is. De andere erkent dat er zich ten oosten van de Vogezen een macht ontwikkelt die Frankrijk niet alleen overvleugelt maar ook kan meetrekken in een richting waarin het niet wil. Beide constanten kwamen de afgelopen week weer eens aan de oppervlakte.

Bijna veertien dagen geleden hebben de ministers van defensie van de NAVO een akkoord bereikt - dat eind vorige week door hun ambtgenoten van buitenlandse zaken werd bekrachtigd - over een nieuwe opzet van hun gezamenlijke militaire organisatie in het licht van de gewijzigde toestand in Europa. Frankrijk heeft zich, hoewel lid van de NAVO, buiten de militaire organisatie van de Alliantie geplaatst en zijn minister van defensie was gewoontegetrouw niet bij de beraadslaging aanwezig. Wel was de Amerikaan Cheney op weg naar Brussel via Parijs gereisd om Frankrijks politieke leiders in te lichten. Maar dat bleek achteraf onvoldoende om gekwetste trots en zorg weg te nemen. Over die gekwetste trots valt niet veel meer te zeggen dan dat Frankrijk het de partners niet eenvoudig maakt door zich afzijdig te houden van een overleg dat voor het land zelf van groot belang is. Maar voor de zorg kan begrip worden opgebracht. De Duitse socialisten zijn immers bezig zich los te praten van veel wat de Bondsrepubliek tot dusver aan de bondgenoten bindt. De opstelling van de SPD in de Golfoorlog en in het actuele debat over Duitslands bijdrage aan militaire verplichtingen buiten de klassieke NAVO-sfeer betekent dat de Duitse socialisten in Atlantische noch Europese oplossingen voor nieuwe vraagstukken enig heil zien. De Franse socialistische regering vraagt zich in gemoede af of Duitsland onder socialistische leiding mogelijk toch de politieke zwerfkei zal worden waarvoor in Parijs al zo lang wordt gevreesd. DE VRAAG is of de manoeuvre van de NAVO dit risico heeft beperkt of versterkt. De christendemocraten van kanselier Kohl hebben kennelijk op de eerste mogelijkheid gemikt: er is nu, althans oppapier, een regeling die verregaande inkrimping van Atlantische strijdkrachten mogelijk maakt en Atlantische militaire samenwerking toch perspectief laat. Iedere Duitse regering zal daarmee rekening moeten houden. Maar in Parijs had men aan een Westeuropees verband de voorkeur gegeven, ook al is het bekend dat fysiek de Amerikaanse ondersteuning niet kan worden gemist. Een Westeuropees veiligheidsmechaniek zou voor de Duitse socialisten uiteindelijk acceptabeler zijn geweest dan het Atlantis waarvoor nu is gekozen, is de redenering. De Franse onvrede, charmant verpakt bij de formele besluitronde in Kopenhagen, en de reactie daarop onderstrepen dat de vraagstukken en aangedragen oplossingen eerder van politieke dan van militaire aard zijn. De snelle interventiemacht mag dan tot zelfs in de Nederlandse defensienota zijn doorgedrongen, de kosten die ermee gemoeid zijn staan in schrille tegenstelling tot de middelen die voor defensie beschiar zijn. Het is niet ondenkbaar dat deze macht hetzelfde lot zal treffen als dat wat in de jaren vijftig de tientallen noodzakelijk geachte NAVO-divisies beschoren bleek. Als over een paar jaar de laatste Rus uit Duitsland zal zijn vertrokken en Oost-Europa zich stabiliseert, ziet de Europese wereld er al weer heel anders uit. Maar de Franse zorg zal niet zijn veranderd. De bekende vraag luidt, geparafraseerd: zal Duitsland Europees of Europa Duits worden? De Franse socialisten vrezen voor het laatste - zeker als hun ideologise verwanten straks in Berlijn het roer in handen hebben.