Scheidend Senaatsvoorzitter P.A.J.M. Steenkamp; Emotioneel en creatief zendeling

Hij onderhandelde als vleesfabrikant over de prijs van varkens, smoorde als hoogleraar aan de TU Eindhoven de studentenopstand, timerde als informateur twee kabinetten in elkaar en richtte het CDA op door (onder meer) te chanteren met koekjes. Vandaag treedt prof.dr. P.J.A.M. Steenkamp, de aartsvader van het CDA, af als voorzitter van de Eerste Kamer.

Als Steenkamp het moeilijk heeft, wendt hij zich tot de Allerhoogste. Oud-ARP voorzitter H. de Boer belde aan de vooravond van een vegaderweekend in de CDA-fusieperiode met huize Steenkamp. Een zoon nam op: “Mijn vader is naar de kerk om te bidden dat u morgen niet zo rot tegen hem zult doen, meneer De Boer”. Dreigt Steenkamp te laat te komen en drukt de chauffeur van de dienstauto het gaspedaal ferm in, dan is de voorzitter van de Eerste Kamer niet tot (auto-)telefoneren in staat. “Ik leg neer! Ik moet bidden dat ik heel aankom”, roept hij dan. In licht verwilderd staat wordt hij te bestemder plekke afgeleverd. Dat zijn de momenten waarop prof.dr. P.A.J.M. Steenkamp (66), ere-voorzitter van het CDA en scheidend voorzitter van de Eerste Kamer, op zijn kwetsbaarst is. Als de mensen vervelend tegen hem doen en als van de planning wordt afgeweken. Steenkamp bereidt alles grondig voor - redevoeringen, colleges, afspraken - anders raakt hij geagiteerd. Ooit werd hem onverwacht gevraagd een DA-bijeenkomst met een toepasselijk gebed af te sluiten. Steenkamp kon van schrik niets anders bedenken dan het Onze Vader. Hij begint de dag om vijf uur 's ochtends. Na het Acht uur-journaal trekt hij zich terug. Wie Steenkamp na tien uur 's avonds belt krijgt te horen: “Is het oorlog?”. Ministers die 's ochtends een paar minuten te laat in de Eerste Kamer verschijnen wenst hij 'goedenavond'. Hij drinkt niet, rookt niet, bezoekt geen theaters en verschijnt nooit op feesten. Vandaag neemt hij afscheid. Hij wil geen interviews, geen fest en geen bloemen. Om voor hem het Haagse receptiecircus in beweging te zetten vervult hem met tegenzin. “Ruud, ik heb net zo lief dat je niet komt”, heeft hij tegen de premier gezegd. Hij vindt dat hij alleen zijn plicht heeft gedaan. Volgende week is hij weer gewoon lid van de fractie. Zo'n belangrijk afscheid vindt hij het niet. Dat is het aardige van Steenkamp; hij vindt niks van zichzelf echt belangrijk. Toch werd hij een vooraanstaand politicus. Tweemaal was hij informateur: van het kabinet Biesheuvel in 1971 en van het kabinet Van Agt III in 1982. Hij gaf vanaf 1968 leiding aan de vorming van het CDA; tot 1983 was hij voorzitter, sindsdien ere-voorzitter. Petrus Antonius Jozef Maria Steenkamp werd geboren in 1925 in Uithoorn als oudste zoon van een streng katholieke slager met een fabriek in vleesprodukten: de NV Uithoornse Bacon- en Conservenfabriek. Aanvankelijk wilde hij priester worden, maar op het Amsterdamse Ignatiuscollege ging dat over Als student economie in Tilburg ontdekte hij door prof.dr. M.J.H. Cobbenhagen de leer van Thomas van Aquino. Sindsdien staat voor hem vast dat hij het “commune welzijn” moet dienen en over het gebruik van zijn talenten ooit verantwoording moet afleggen. Thuis ontwikkelde Steenkamp volgens hem “genegenheid” voor andersdenkenden. In de fabriek werkten veel protestanten - vader wilde vaklui en lette daarbij niet op het geloof. De firma van huisvriend Zwanenberg waarmee in 1964 werd gefuseerd, was joods. Piet promoveerde op de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, een typisch protestants onderwerp. In de fabriek introduceerde hij de ondernemingsraad. Bij de katholieke werkgevers bepleitte hij de instelling van arbeiderscommissarissen. 'Rooie Piet' noemden ze hem. Via de KVP en de werkgeversorganisatie leerde hij Schmelzer en De Quay kennen. Trots leidde hij ze rond in de fabriek - een bevlogen, welbespraakte ondernemer. Schmelzer suggererde De Quay Steenkamp staatssecretaris te maken, maar De Quay dacht aan de universiteit waarvan hij curator was. Zo werd Steenkamp in 1960 gevraagd om bijzonder hoogleraar sociaal recht aan de Technische Universiteit Eindhoven te worden. Daar was behoefte aan een docent met praktische kennis van de economie en belangstelling voor arbeidsverhoudingen. In 1966 mocht hij gewoon hoogleraar worden. Voor de uitdijende universiteit waren bestuurders nodig. Piet werd voorzitter van de eerste Hogeschoolraad, smoorde de studentenopstand door zich met studenten en medewerkers veertig dagen in een klooster op te sluiten en was eindeloos decaan. Bij de jaarlijkse onderwijs-evaluaties scoorde Steenkamp onder studenten een 4: goed, of een 5: zeer goed. Als een acteur leefde hij zich in - zijn colleges werden spannend gevonden. Voor het eerste college nodigde hij politici uit. Van Van Agt tot Kok - driekwart van politiek Den Haag heeft bij Piet voor het bord gestaan. Zo verwierf zijn alfa-faculteit aan de beta-universiteit aanzien. Maar in dertig jaar hoogleraarschap produceerde hij geen wetenschappelijk onderzoek van betekenis. De databank van de TU somt bij Steenkamp, P.A.J.M. twintig titels op. Driekwart zijn nooit in boekvorm verschenen onderwijssyllabi, de rest omvat zijn proefschrift, zijn inaugurele rede en titels van liberi amicorum waarvan hij redacteur was. Hij begeleidde in dertig jaar slechts een promovendus. “Urenlang vorsen kost me te vel tijd. Daarvoor heb ik geen geduld”, zegt Steenkamp zelf. In 1971 werd hij bekend toen hij als informateur in hoog tempo het kabinet Biesheuvel tot stand bracht. Aan de nationale behoefte aan 'openheid' gaf hij bekwaam toe. De informateur liet zich filmen in de tram naar het Binnenhof. Ook zagen de kijkers hoe meneer Steenkamp zich toetakelde met een paar KLM-sloffen en een dito slaapmaskertje als hij wenste te rusten. RVD-chef Van der Wiel was onder de indruk. “Ik zou geen ander weten die het hele terrein van economie en politiek zo overzag als hij.” Zonder reserve noemt hij hem “een kunstenaar in de politiek. Hij wil iets scheppen”. Schmelzer vond hem op Beel lijken: “Die werd door koningin Juliana om zijn gezag en vakmanschap mijn eigen schrijnwerker genoemd”. Steenkamp liet voor het eerst de adviezen van de fractieleiders aan de koningin publiceren. Na voltooiing van zijn opdracht legde hij zelfs uit waarover het kabinet zou vallen; hij kreeg gelijk. In deze krant werd hij afgebeeld als een Zwitsers zakmes - opvouwbaar, scherp en met vele mogelijkheden. Maar het ministerschap behoorde daar niet toe. “Daar is-ie te creatief voor”, zegt Van der Wiel. En te emotioneel. Geleefd worden door een departement, overvallen worden met honderd problemen tegelijk - hij zou er niet van kunnen slapen. “Een draaimolen waar je niet uitkunt”, zegt hij. Het werk zou hem in de ar brengen. Steenkamp wil meester van zijn eigen tijd blijven. Als het werk te veel opdringt, pleegt hij zich ziek te melden. Voor de vorming van het CDA kwam hij precies op tijd. Steenkamp stond bekend als idealist, zendeling en bemiddelaar. Schmelzer: “Niemand verdacht hem ervan ooit voor eigen belang te werken”. Als hoogleraar en Eerste-Kamerlid was hij op zijn plaats. Het uithalen tijdens campagnes, het aanvallen van andere politici, Steenkamp is er wars van. Aan Cobbenhagen ontleent hij zijn lijfspreuk; “Ban de twijfel niet uit, want e twijfel zuivert”. Hij wekte bij de fusiepartners zo de indruk boven de partijen en, belangrijker nog, boven de geloven te staan. Oud-CHU-partijvoorzitter O. baron van Verschuer: “Je kunt geen etiket op hem plakken. Hij is een oecumenische man, ook in de politiek. Daarom kon je hem absoluut vertrouwen.” Steenkamp raakte bezeten van het CDA. In tien jaar hield hij ruim 800 toespraken voor partijafdelingen waarin hij naar gelang Thomas van Aquino of de apostel Paulus opvoerde. “De man die de eerste ruzie in het christendom - met Petrus - beslechtte”, zegt hij. Zijn bewogenheid viel goed herinnert oud-minister J. de Koning zich. Bij de ARP was men bang dat het CDA een grijze middenpartij zou worden, waar het geloof werd verdonkeremaand. Bij de KVP vond men Steenkamp een typische katholiek van boven de rivieren met calvinistische inslag, maar toch geen zedepreker. Net zo een als Lubbers.Schmelzer: “Over het geloof is hij niet betweterig. Aantjes in zijn Bergrede - dat was irritant. Dat ging over hoezeer hijzelf het bij het rechte eind had”. Dat zou Steenkamp nooit van zichzelf zeggen. Integendeel: “Tot mijn zwakheden behoort dat ik dikwijls heel veel goeds zie in wat anderen zeggen en dan mijn eigen opvattingen wegduw”. Voor Steenkamp heeft niemand de waarheid in pacht, en het CDA al helemaal niet. Ook in zijn colleges gaf hij zelden zijn eigen mening ten beste. Oud-medewerker dr. E. Campbell: “Hij wil het puur houden, onpartijdig. Hij kruipt in de huid van anderen”. Zo ging het ook bij het CDA. Van Verschuer vraagt zich zelfs af “of Steenkamp wel politieke opvattingen heeft. Zijn bron is het geloof. Maar de uitwerking wisselde van plaats en tijd.” Tijdens de fusiebesprekingen vond hij Steenkamp “een lijdelijk voorzitter. Het CDA is niet gelukt vanwege zijn managerskwaliteiten. Alleen op bepaalde momenten trok hij het naar zich toe. Zijn romantische, ideologische benadering wekte irritatie. Dat bood onvoldoende houvast. Anderen vonden dat juist charmant.” Voor de ongeduldige Steenkamp waren de fusiebesprekingen een kwelling. “Hij leed onmatig onder tegenslagen; hij vergrootte die uit. Ik stelde hem gerust en bracht de zaak weer in proportie”, zegt De Koning. Steenkamp werkte op het gemoed, herinnert hij zich. “Hij maakte ons beschaamd als we niet opschoten. We geneerden ons.” Er was bovendien een sanctie - na een mislukte vergadering kreeg het gezelschap van Piet geen koekjes. Steenkamp verschijnt zelden zonder een trommeltje cake of koekjes, gebakken door zijn echtgenote Constance. Als vader van een groot gezin deelt hij die dan uit. Van Verschuer: “Steenkamp is een wat kinderlijke man, een nooit volwassen geworden koorknaap”. Van de “meer naargeestige geschilpunten” in het CDA-in-wording bleef Steenkamp af, maar dat verbaasde hem niet. De Koning: “Ik heb me Piet ook nooit als vleesfabrikant kunnen voorstellen die keihard moet onderhandelen over de prijs van varkens. Hij was vast een kwartje te duur uitgekomen.” De definitieve verdeling van kandidatenplaatsen liet hij bijvoorbeeld over aan de fractievoorzitters onderling. Tegen discussies waarin “men elkaar de maat neemt, kan hij heel slecht”. Toen de formulering van de grondslag van het CDA vastliep in ARP-twisten, liet Steenkamp de oplossing aan hem over. De Koning: “Hij gold in het land aanvankelijk als een eenzame, wat tragische figuur die de zaak vooral door zijn persoon bij elkaar wist te houden”. De doorbraak werd geforceerd door de actie 'Wij horen bij elkaar' van de afdelingen, toen die genoeg kregen van hun vechtende partijbesturen. Maar het was ook de actie 'Redt Piet uit de leeuwenkuil'. Toen het CDA een lijsttrekker nodig had, suggeerde Steenkamp A. van Agt. De Koning: “Hij vond zichzelf niet geschikt. Hij zou zo geirriteerd raken door de duizenden beslissingen die je dan moet nemen”. De beloning kwam in 1983 toen hij voorzitter mocht worden van de Eerste Kamer, waarin hij al sinds 1965 zitting had. Zijn vice-voorzitters daar prijzen zijn loyale houding - als ze hem vervangen voelen ze zich geen 'adjudant', maar echt Voorzitter. Om langer dan een paar uur op de voorzittersstoel te zitten heeft hij, alweer, te weinig geduld. Ook protocollaire verplichtingen, vaak met langdurige diners, laat Steenkamp over. Vice-voorzitter L. De Rijk vindt dat Steenkamp ervoor zorgde dat deerste Kamer “zijn hand niet overspeelde. De verhouding met de Tweede Kamer is verbeterd; daardoor is het besef dat het politieke primaat bij de Tweede Kamer ligt bij ons gegroeid. Hij komt op voor onze rechten maar is ook bereid om te relativeren”. Steenkamp - een protestantse katholiek, een Eerste Kamerlid die niet kan stilzitten, een politicus die zijn eigen opvattingen wegduwt. Maar vooral een man die weigerde in te zien dat een protestanten en katholieken 'onmogelk' kunnen fuseren - en zichzelf daarom geweld aandeed door zich jarenlang met 'echte' politici op te sluiten. Totdat het ze te gortig werd en het CDA werd opgericht - om Piet verder lijden te besparen.