Organisaties voor kernenergie hebben alle stormen overleefd

ROTTERDAM, 10 JUNI. “Het lijdt geen twijfel dat kernenergie op den duur een aanzienlijk groter deel van de behoefte aan energie zal dekken.” “Indien dit plan uitvoerbaar blijkt, zou het mogelijk zijn dat in 1975 reeds de helft van de gehele elektriciteitsproduktie wordt verzorgd door kernenergiecentrales”. Dat schreef dr. J. Zijlstra, minister van economische zaken in het derde kabinet-Drees, op 3 juli 1957 aan de Tweede Kamer.

Nederland leefde nog in het kolentijdperk en had geen notie van de omvang van de enorme gasbel onder de Groningse bodem. Kerncentrales leken de toekomst te hebben, ze waren in politieke kring nog onverdacht. Het Amerikaanse programma Atoms for peace maakte in Europa grote indruk. Zijlstra wilde binnen vijf jaar een eerste centrale laten bouwen en besteedde in zijn nota verreweg de meeste aandacht aan de economische voordelen van kernenergie. De veiligheid vareactoren en het afvalprobleem kregen minimale aandacht, de minister verwees daarvoor naar de verantwoordelijkheden van zijn ambtgenoten. In hetzelfde jaar dat Zijlstra zijn plan lanceerde werd op Schiphol de tentoonstelling Het Atoom georganiseerd. In de catalogus stond een citaat van Albert Einstein: “Als u erin slaagt de kernfysische inzichten voor vreedzame doeleinden te gebruiken, zou dit de weg openen naar een nieuw paradijs”. Vlak tevoren, in maart 1957 hadden zes lidstaten in Rome de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) opgericht. Kernenergie vormt “de voornaamste hulpbron welke de ontwikkeling van vernieuwing van de produktie zal verzekeren en de vooruitgang van de werken des vredes mogelijk zal maken”, vermeldt de inleiding van het Euratom-verdrag. Vandaag staan er 423 atoomreactoren in de wereld die bijna zeventien procent van de wereldproduktie van elektriciteit voor hun rekening nemen. In Nederland is dat met anderhalve reactor maar vijf procent, een schijntje van wat minister Zijlstra destijds beoogde. Sinds 1984 is mede onder invloed van het publieke verzet het jaarlijkse aantal in aanbouw genomen reactoren in de wereld drastisch teruggelopen. Onder invloed van een reeks ongevallen en storingen in het buitenland en het gegroeide besef dat een aantal serieuze problemen van kernenergie eerst moest worden opgelost, stokte ook het kernenergieprogramma inNederland. Het gevaar van proliferatie (misbruik van splijtstof voor kernwapens), de veiligheid van reactoren en het afval vormden de grootste struikelblokken. De anti-kernenergiebeweging (niet te verwarren met de milieubeweging) kwam massaal in verzet en vindt tot op de dag van vandaag dat die problemen helemaal niet moeten worden opgelost, maar dat kernenergie uit den boze is en moet worden uitgebannen. De Sovjet-Unie, Frankrijk, Belgie, Duitsnd, Zweden, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Japan en Canada voerden in het verleden consequent hun kernenergie-aandeel op. Een reeks van Westerse landen besloot de afgelopen jaren af te haken of helemaal niet aan kernenergie te beginnen omdat men op een andere manier makkelijker de groeiende elektriciteitsbehoefte kan bevredigen. Australie, Denemarken, Ierland, Nieuw-Zeeland en Oostenrijk zijn de meest principiele tegenstanders. Feitelijke 'moratoria' zijn er nu in Italie, Joegoslavie, Nederland, Spanje, Zweden en Zwitserland. Huidige 'groeiers' in de markt zijn vooral Japan, Zuid-Korea, Frankrijk, China, de Sovjet-Unie, Tsjechoslowakije, en op termijn de Verenigde Staten. Nederland heeft zijn nucleaire programma al jaren geleden bevroren, maar houdt de mogelijkheid van een uitbreiding nog steeds open. Maar de deskundigheid op het specialistische vakgebied van de reactorbouw en stralingsinvloeden dreigde te verdampen doordat er steeds minder acaJH)demici in de nucleaire technieken werden opgeleid. Minister Andriessen (economische zaken) stelde daarom vorig jaar 25 miljoen gulden beschikbaar voor een Programma Intensivering Nucleaire Competentie (PINC) waarvoor vier jaar is uitgetrokken. In dat kader werken Nederlandse deskundigen nu mee aan de ontwikkeling van nieuwe, veiliger reactoren in de Verenigde Staten. Officieel is het beleid van de internationale organisaties die zich bezighouden met de coordiJH)natie van het energiebeleid vooral onder invloed van de ongevallen op Three Mile Island (Harrisburg) in 1979 en Tsjernobyl in 1986 veranderd in een wat minder ongenuanceerde pro-kernenergie lijn, maar dat is slechts schijn. Nog steeds pleiten ze krachtig voor diversificatie van energiebronnen, waarbij kernenergie als een belangrijke bron wordt onderstreept. Ze wijzen ook op de stijgende energiebehoefte die samenhangt met de bevolkingsgroei, vooral in de ontwikkelingslandn, en de vrij algemeen aanvaarde noodzaak tot economische groei. Hun derde verdedigingslijn als het gaat om kernenergie is een nieuwe bondgenoot: het milieubeleid. Het meest bekend is het Internationaal Atoom Energie Agentschap (IAEA) in Wenen, een organisatie van de Verenigde Naties. Het IAEA heeft een taakverdeling met Euratom en controleert buiten West-Europa de boekhouding van splijtbaar materiaal om misbruik te voorkomen (kernwapens). Daarbij gaa het om verplichtingen die de landen, aangesloten bij het Non-Proliferatieverdrag (NPV), op zich hebben genomen. Verder bevordert het IAEA het veilig gebruik van reactoren en andere nucleaire installaties, door VN-lidstaten te adviseren en op verzoek inspecties uit te voeren. Euratom in Brussel bestaat nog altijd, formeel als een van de Europese Gemeenschappen, maar in feite als een gespecialiseerde afdeling van de EG. Ook het Internationaal Energie Agentscap (IEA) in Parijs, in 1974 opgericht op initiatief van de toenmalige Amerikaanse minister van buitenlandse Kissinger als een Westers tegenwicht tegen de macht van olielanden, probeert kernenergie te verbreiden. Daarnaast heeft de OESO, de organisatie van 24 Westerse industrielanden plus Japan nog een aparte afdeling: het Nuclear Energy Agency (NEA) dat in kernenergie is gespecialiseerd. “De OESO-landen kunnen kernenergie niet schrappen, want ze halen hun CO2-beleid niet zonder deze energiebron. Integendeel, regeringen zullen waar mogelijk speciale actie moeten ondernemen om kernenergie uit te breiden. Als er niets gebeurt hebben we over 30 a 40 jaar geen kerncentrale meer over”, zegt Robert Skinner, topambtenaar van het IEA. In het rapport Use of Nuclear Power in Electricity Generation (juni 1990) heeft het IEA becijferd dat van alle energiesoorten de vraag naar elektriciteit tot het jaar 2005 het snelst zal groeien: met 2,4 procent per jaar in de industrielanden, 3 procent in ost-Europa en bijna 6 procent in de ontwikkelingslanden. In de OESO-landen komt, zo blijkt uit het IEA-rapport, 54 procent van het totale energieverbruik op rekening van de elektriciteitsopwekking en het transport. Het zijn de sectoren waarop regeringen het makkelijkst invloed kunnen uitoefenen. Ze zorgen voor de helft van de produktie van koolstofdioxyde (CO CORPS INFERIEUR KAN NIET KLEINER DAN 5 ), als eerste verantwoordelijk gesteld voor het broeikaseffect. Wie de maatregelen van Westerse regeringen om het autoverkeer aan banden te leggen overziet, kan niet anders concluderen dan dat daarvan slechts een bescheiden, relatieve bescherming van het milieu zal uitgaan omdat de mobiliteit nog steeds sterk stijgt. Des te belangrijker is het voor regeringen om te werken aan een zo schoon mogelijke elektriciteitsproduktie. De doelstellingen van de OESO-landen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, verbleken bij dit wereldwide probleem, aldus het IEA. Stabilisatie in de OESO-landen van de CO-produktie tegen het jaar 2000 of in 2005, zal een veel agressievere aanpak vergen dan het energiebeleid van de regeringen nu mogelijk maakt, zegt het rapport. Niet alleen het vervangen van oude kerncentrales, maar ook uitbreiding van atoomenergie is hard nodig, is de boodschap. Tsjernobyl heeft veel regeringen uiterst terughoudend gemaakt. “Nog zo'n ramp en je kunt het verder wel vergeten”, zegt Jean Claude Charrault, hoofd nucleaire zaken van Euratom in Brussel. “Maar tien jaar na Tsjernobyl, 1995 dus, moet het probleem wel beantwoord zijn. Van een aantal van de oudere Russische centrales in de Sovjet-Unie en Oost-Europa moet de veiligheid dringend worden verbeterd. Samen met het Internationaal Atoom Energie Agentschap in Wenen (IAEA) werken wij aan een hulpprogramma, waarvoor de Europese Gemeenschap miljoenen guldens beschikbaar stelt.” Charrault voorziet dat Euratom een organisatie voor eel Europa wordt. “Er komt een belangrijk protocol voor de verbetering van de Oosteuropese kerncentrales, als aanhangsel van het Handvest voor de nieuwe Europese energiegemeenschap (het plan-Lubbers - red.).” Euratom zorgt voor de controle in West-Europa op het vreedzaam gebruik van de splijtstoffen. Formeel is Euratom zelfs eigenaar van alle splijtstof die in alle lidstaten van de EG wordt gebruikt. Charrault: “Maar onze inspecties reiken niet verder dan de poot van militaire installaties in Frankrijk en Engeland.” Ook hij verwacht binnen enkele jaren een opleving van het vreedzaam gebruik van kernenergie: “De Zweden hebben hun aanvankelijke besluit om te stoppen weer opgeschort omdat ze de energie niet kunnen missen en hun milieu willen blijven beschermen. Italie zal over een paar jaar ook naar kernenergie terugkeren.” Voor de kernenergielobby moet het een aangename gedachte zijn dat de internationale organisaties, opgericht in de period van euforie, alle stormen hebben overleefd en nog steeds klaar staan om hun oorspronkelijke taak uit te voeren.