Het ondankbare rennen van voetballers

Voetballers kunnen nog zo hard en veel lopen, als het niet loopt, dan baat dat voor geen meter. Zegt Luc van Agt na afloop van het duel tussen PSV en Groningen. “Als een ploeg niet draait, gaan spelers in het wilde weg rennen. Of ze laten hun koppies hangen: dan doen ze helemaal niks meer. Of ze gaan kankeren: loop jij nou eens een extra meter.”

Dat de PSV'ers aan het eind van de wedstrijd volledig leken opgebrand en niet eens meer in staat waren om terug te komen was volgens Van Agt dan ook geen kwestie van conditie, maar “een mentale reactie op een uitzichtsloze stand”. Op papier ging het collectieve loopvermogen van de Eindhovenaren dat van de noorderlingen verre te boven. In werkelijkheid holde PSV vanaf het begin achter de feiten aan. Luc van Agt (35) is parttime fysioloog annex conditietrainer van PSV. Voor het begin van de wedstrijd had hij al gewaarschuwd: je moet het belang van het lopen niet overschatten. “Het gaat om een teamsport waarvan het lopen maar een onderdeeltje is.” Voetballiefhebbers kunnen lyrisch uitweiden over de fabuleuze baltechniek van Romario. Terwijl ze achteloos voorbijgaan aan de schitterende looptechniek van Popescu. Van Agt vindt dat “heel begrijpelijk”. Want er zijn wel tien verschillende manieren om een bal te stoppen. En zeker tien manieren om een bal te schieten. Om over de passeerbewegingen maar te zwijgen. Daarbij valt dat ondankbare rennen onvermijdelijk in het niet. Wat stelt dat lopen bij voetbal nou eigenlijk voor? Negen tot twaalf kilometer haalt een gemiddelde profvoetballer per wedstrijd. Afhankelijk van positie en type speler. Van die afstand loopt hij twee procent met bal: 180 tot 240 meter, twee keer de lengte van het voetbalveld. Een spits als Romario die geen stap te veel zet, kwam gisteren in de wedstrijd tegen Groningen niet eens aan die negen kilometer. Daar tegenover stond dat een overijverige middenvelder als Vanenburg de bovengrens ruim overschreed. Het resultaat was niettemin hetzelfde: nul komma nul. Snelheid en loopvermogen alleen zeggen zo weinig, meent Van Agt. Het enige criterium is het rendement: wat levert het op. Hoe efficient gaat een speler met zijn krachten om. Vanenburg smeet gisteren met zijn krachten door na lange rushes steeds weer de bal te verspelen om vervolgens terug te moeten rennen. Groningen-spits Djurovski daarentegen maakte optimaal van zijn capaciteiten gebruik door met een betere timing de snellere PSV'ers De Jong en Popescu in de sprint te verslaan. Profvoetballers moeten natuurlijk een goede basisconditie hebben, zegt Van Agt. En ze moeten natuurlijk een redelijk sprintsnelheid hebben, want anders kunnen ze in het topvoetbal niet mee. Maar volgens Van Agt, die ook looptrainer is van PSV atletiek, heeft het weinig zin om speciaal op lopen te trainen. Tijdens de wedstrijd tegen Groningen viel hem weer op hoe weinig kans de voetballers krijgen om vrijuit een sprintje te trekken. “'t Is altijd duwen en trekken. Er wordt altijd met weerstand gelopen. Een cleane sprint komt bijna niet voor.” Daarbij zou het contraproduktief zijn om een voetballer wat lopen betreft in topvorm te brengen, zegt Van Agt. Een atleet kan zich drie maanden voorbereiden om vervolgens “te pieken”, twee maanden te presteren op de toppen van zijn kunnen. Maar een voetballer heeft maar vijf weken trainingstijd voordat de competitie weer begint. En dan heeft hij zestig duels voor de boeg, eventuele interlands buiten beschouwing gelaten. Van Agt: “De kunst bij voetballers is om een goede vorm zo lang mogelijk vast te houden.” Daarom wordt de “extensieve duurtraining aan het begin van het seizoen in de onderhoudsfase al gauw vervangen door een intensieve intervaltraining”, zegt Van Agt. Daarom hecht hij ook meer waarde aan de speltraining waarvan het lopen een specifiek onderdeel is dan aan aparte lopbegeleiding. “Je moet niet de illusie hebben dat je van alle spelers een Carl Lewis kunt maken. Dat is ook nergens voor nodig.” Wat niet wegneemt dat Van Agt een voetballer met een mooie loop wel degelijk kan waarderen. Als Popescu vanuit het centrum van de verdediging naar voren schiet bij voorbeeld. “Die lange benen. Die lange, krachtige, atletische passen. Daar geniet ik wel van.”