Dekker maakte geesten rijp

Voormalig Philips-topman prof. dr. W. Dekker deed in opdracht van het kabinet Lubbers-II het grondwerk waarop nu het fundament voor de stelselwijziging wordt gebouwd. Het plan van de naar hem genoemde commissie over de toekomstige structuur en financiering van de gezondheidszorg, ontvouwd in maart 1987, was zoiets als vloeken in de kerk. In de gezondheidszorg zou het voortaan vooral om marktwerking en concurrentie moeten draaien. Die aanbeveling leidde her en der tot associaties met een keiharde gezondheidszorg naar Amerikaans voorbeeld. Alleen door marktwerking te introduceren zou de van regels vergeven jungle die de gezondheidszorg sinds begin jaren '70 is, het hoofd boven water kunnen houden. Zonder concurrentie om de gunst van de verzekerde zou volgens Dekker van kostenbeheersing geen sprake zijn.

Dekkers analyse van de problemen in de gezondheidszorg verschilt geen millimeter van die van staatssecretaris Simons. Het verschil zit in de manier waarop de visie in praktijk moet worden gebracht. Dekker bepleitte een verzekering tegen ziektekosten voor alle Nederlanders, waarin een beperkt aantal voorzieningen (85 procent) uit het huidige ziekenfondspakket opgenomen zou moeten zijn. Tevens zou men volgens zijn aanbevelingen vrijwillig een aanvullende verzekering kunnen afsluiten tegen de kosten van onder meer tandheelkundige hulp (vanaf 18 jaar), fysiotherapie, geneesmiddelen, sterilisatie, reageerbuisbevruchting en abortus. Juist die vrijwillige verzekering, waarvan de premies direct door de verzekerde aan de verzekeraar zouden moeten worden afgedragen, zou verzekeraars flinke ruimte voor concurrentie geven, meende de commissie-Dekker. Begin dit jaar besloot het kabinet echter dat alle essentiele voorzieningen - in elk geval tandheelkundige hulp, fysiotherapie en geneesmiddelen - in de 'zorgverzekering' moeten worden opgenomen. Die beslissing is terug te voeren op het oordeel van de Raad van State in maart 1990 dat een opzettelijke beperking van het basispakket afbreuk doet aan de kwaliteit en de toegankelijkheid van de zorg. Dekker haalde ook bakzeil met zijn voorstel voor de wijze van premieheffing. Een betrekkelijk groot deel van alle premie-inkomsten, 25 procent, zou volgens hem moeten bestaan uit niet-inkomensafhankelijke, vaste premies. De hoogte van zo'n vaste premie zou voor alle verzekerden gelijk zijn. De overige 75 procent zou moeten bestaan uit inkomensafhankelijke premies. Het kabinet besliste anders. Van de premies zal 82 procent inkomensafhankelijk worden geheven en 18 procent in de vorm van vaste bedragen. Dekker deponeerde in het voorjaar van 1987 zijn advies bij het tweede kabinet-Lubbers en trok er vervolgens de handen van af. Mede doordat de PvdA in 1989 in de regering kwam, werd de stelselherziening bij lange na niet wat Dekker oorspronkelijk voor ogen stond. Het plan-Dekker is geleidelijk omgebouwd tot een meer sociale verzekering tegen ziektekosten. De stelselherziening wordt weliswaar niet zover uitgewerkt zoals Dekker wilde, hij was wel degene die de geesten rijp maakte voor marktwerking en concurrentie in de gezondheidszorg. Simons plukt daar nu de vruchten van.