De Man Die Niet Meer In De Rij Wou Staan

Voor een tientje per uur loop of duw ik een oude mijnheer die slechter been is. Zoals elke betrekking die ik, als Rus zonder geldige papieren, ooit in dit land van Melk & Koningin zal kunnen krijgen, is het een secundair baantje. Eigenlijk deed een arme zielepoot, die echter wel een Nederlander is en inet bezit van een Uitkering, dit. Maar de uitkeringsgenieter heeft het te druk voor deze baan, die hem bovendien de kop kan kosten. Dan kom ik aan de beurt.

De eerste keer dat ik zo'n zwart baantje overnam, het betrof het in brievenbussen drukken van veelkleurig reclamepapier, moest ik nog de helft van de verdienste afstaan aan de oorspronkelijke baanhouder. Maar in dit wandelbaantje betaalt de mijnheer mij na elk uur een tientje en dat hou ik. We wandelen naar het Postkantoor, halen geld, en wandelen terug. We wandelen naar de kaaswinkel, halen drank, en wandelen terug. We wandelen naar het park, rapen papiertjes op, en wandelen terug. Die mijnheer zou veel goedkoper uit zijn als hij mij die boodschapjes in Postkantoor, kaaswinkel en park liet doen. Maar hij wil buiten zijn en vooral: hij wil met mij kletsen. “De jongen die voor jou mij hielp,” zegt hij bijvoorbeeld, “die had altijd een walkman op zijn kop. Dus die hoorde nooit wat. Daar stond weer tegenover dat hij er vaak bij zong. Zing jij Pjotr?” Ik zeg altijd dat ik Peter heet. Maar mensen boven een zekere inkomensklasse noemen mij graag Pjotr. “Nee, je hoeft voor mij niet te zingen hoor. Vertel me liever nog eens hoe erg het was in de Sovjet-Unie.” Ik vertel hem wat hij horen wil. Ik vertel nooit wat ik echt erg vond. Dat is ook niet te vertellen. Wat is er zo erg aan in een rij te staan? Ik sta in het postkantoor dolgraag lanin de rij met mijn mijnheer, steeds denkend: “Tien gulden per uur!” Hoe uit te leggen wat er zo erg is aan de Moskouse rijen? Hoe kan ik vertellen hoe erg het was om bij mijn tante met haar kinderen in een kamer te wonen? Hoe te klagen dat geen Moskous meisje me wou als ik niet over vreemde valuta beschikte? Dus klaag ik maar waar hij wil dat ik over klaag. Over het gebrek aan vrijheid. Over de angst voor de geheime politie. Over mijn vader die in een Siberisch strafkamp krepeerde (ik hegeen flauw idee waar de zwerver na mijn conceptie is gebleven). De oude mijnheer Slechter Been vindt het allemaal heel erg. Niet dat hij me er een gulden meer om geeft. Maar hij geeft me dat tientje zonder tegenzin en hij zal me niet aangeven bij de vreemdelingenpolitie. Mijnheer Slechter Been is vooral onder de indruk van het gebrek aan vrijheid van meningsuitdrukking. “Zo zou ik nooit kunnen leven” zegt hij, “zonder te kunnen zeggen wat ik denk. Dan zou ik ook vluchten”. Wat een onzin. Ik zeitegen mijn tante altijd wat ik dacht en tegen mijn vrienden ook. Maar wat schoot ik daar mee op? Wat heeft deze mijnheer eraan te kunnen zeggen wat hij denkt? Gaat hij daar beter van lopen? Moet hij niet een tientje per uur betalen om iemand te hebben tegen wie hij kan zeggen wat hij denkt? O, kon ik maar zeggen wat ik denk. Dit: “Nee, dat was niet de reden dat ik Rusland ontvluchtte. De reden was dat ik in Moskou geen cent had om mijn kont te krabben. Hierheb ik ook niet veel. Maar ik leef goed. Ik werk niet hard, maar ik verdien. Ik benijd u. Ik zou wel twee slecht ter benen willen hebben als ik zo rijk was als u. En die vrijheid om te zeggen wat je wil, die zou ik graag inleveren voor de vrijheid om bij het postkantoor geld te kunnen halen.” Maar dat zeg ik niet, want dat wil hij niet horen, en dit baantje bevalt me zeer, zeker zolang het mooi weer is. De eerste knaak verdien ik altijd aan de discussie: gaan we arm-in-arm schuifelen, of ga ik hem in zijn stoel duwen? Ik loop liever, want dan duurt het langer. “Ik vind het zo aardig van je dat je liever met me loopt, dat is inderdaad beter voor me.”

wordt vervolgd