Bob Woodward achter de kamerschermen van het Witte Huis en het Pentagon; Waarom Powell toch liever opperbevelhebber werd

Bob Woodward, de Amerikaanse journalist die bekend werd door zijn onthulling van het Watergate-schandaal en de film All the presidents men, beschrijft in zijn boek The Commanders de besluitvorming achter de schermen van het Witte Huis en het Pentagon. Hij begint daarmee op 8 november 1988 toen George Bush tot president van de Verenigde Staten werd gekozen en eindigt op 16 januari 1991, de dag dat de luchtaanvallen op Irak begonnen. Deze wek publiceren wij drie gedeelten uit De Machthebbers, de vandaag verschenen Nederlandse vertaling van het boek.

Bob Woodward, De Machthebbers; uitgeverij Balans; ISBN 90-5018-500-2; (f) 29,90.

Woensdag 9 november 1988. Powell, toen nog driesterren-generaal en adviseur van president Reagan voor nationale veiligheid, liep energiek door een van de nauwe, van lopers voorziene gangen in het westelijk gedeelte van het Witte Huis. Hij was op weg naar zijn werkkamer, een grote kantoorruimte die op een hoek van het gebouw was gesitueerd en misschien wel de op een na meest prestigieuze kamer van het Witte Huis was. Het was het zenuwcentrum dat voorheen mensen als Henry Kissinger had gehuisvest. Het was ongeveer vier uur 's middags. Vice-president George Bush stond in de gang bij zijn kleine kantoorruimte in de westelijke vleugel. Een dag eerder was hij tot president gekozen. Hij had net een ceremonie ter gelegenheid van zijn terugkeer naar het Witte Huis achter de rug en was vanuit de rozentuin naar binnen gekomen om mensen te bedanken en handen te schudden. Hij was in de zevende hemel. Plotseling zag hij Powell lopen. “Kom even binnen”, zei Bush. “Ik wil even met je praten.” Powell maakte bezwaar omdat Bush het wel druk zou hebben. “Nee, ik wil weten wat er aan de hand is”, zei Bush, terwijl hij Powell naar het kantoor van de vice-president leidde. Powell was beroepshalve en uit persoonlijke nieuwsgierigheid de man met de meeste informatie over de gebeurtenissen in de wereld, en vaak degene die in het Witte Huis het eerst op de hoogte was van de nieuwste ontwikkelingen, of het nu een zih ontwikkelende internationale crisis betrof of ordinaire diplomatieke roddels. Hij feliciteerde Bush en lachte breeduit en vol zelfvertrouwen. De aanstaande regering-Bush begon al vaste vormen aan te nemen. Bush had die morgen in Houston zijn eerste kabinetsvergadering aangekondigd, waarbij hij zijn campagneleider en oude vriend uit Texas, Jim Baker, als minister noemde. Baker werd gezien als Bush' vertrouweling binnen het kabinet-in-de-maak.(P)Bush was benieuwd naar Powell. Wat was hij van plan? Op welke post zou hij hem het meest van dienst kunnen zijn? “U hebt momenteel natuurlijk veel meer aan uw hoofd dan ik”, zei Powell, “ik zal u daar nu dus niet mee lastig vallen, meneer de vice-president.” Bush had echter drie concrete voorstellen. Wilde Powell voorlopig, bijvoorbeeld eerst nog een half jaar, aanblijven als adviseur van de president voor de nationale veiligheid terwijl hij intussen nadacht over de volgende stap? Of wilde hij een andere, permanente positie in de regering-Bush? Bush stelde voor dat hij directeur van de CIA zou worden, een post die hij zelf ook had bekleed toen hij Powells leeftijd had. En wat dacht hij van de post van Bakers tweede man, een sleutelpositie op het ministerie van buitenlandse zaken? Hij moest het zelf maar zeggen. Er staan ons opwindende en belangrijke tijden te wachten, zei Bush. Powell merkte op dat hij voor een carriere in het leger had gekozen en dat men hem had aangeboden teru te kunnen keren. Ook overwoog hij nog een aantal aanbiedingen van het bedrijfsleven, om wat geld te kunnen verdienen. Hij voelde zich vereerd door Bush' voorstellen en zou alle mogelijkheden op een rijtje zetten. De vice-president moest begrijpen dat hij zich nu op een belangrijk keerpunt in zijn leven bevond. Zijn staat van dienst als adviseur van de president voor de nationale veiligheid bood hem een scala aan mogelijkheden. ush, die meer baantjes had gehad dan de meeste presidenten, liet merken dat hij het volkomen begreep. Dit was geen gemakkelijk besluit, zei Powell, en hij zou er nog op terugkomen. Wederom felicitaties. Een ding was Powell duidelijk: het aanbod om voorlopig nog even op zijn post te blijven was een kwestie van beleefdheid. Bush wilde hem zeker niet als zijn permanente adviseur voor nationale veiligheid. Zich realiserend dat hij al zijn toekomstmogelijkheden terdege moest bestudern, nam Powell een vel papier, trok een verticale lijn over het midden en noteerde links de voors en rechts de tegens van een baan bij de overheid. Het enige argument tegen een baan bij de overheid was het geld. Geld interesseerde hem niet overmatig en de curricula vitae die hij hier en daar bij het bedrijfsleven had gedropt, hadden hem niet zo veel aanbiedingen opgeleverd als hij had gehoopt. De aanbiedingen om de CIA te gaan leiden of tweede man van het ministerie van buitenlandse zken te worden moesten worden overwogen. Het zou een achteruitgang betekenen als hij zijn positie van adviseur voor nationale veiligheid, waarbij hij alle belangrijke kwesties aangaande buitenlandse zaken en defensie moest coordineren, zou inruilen voor de positie van tweede man op het ministerie van buitenlandse zaken, want als zodanig was hij slechts belast met het in goede banen leiden van het bureaucratische systeem. En in de meeste opzichten had de adviseur van de president voor nationale veiligheid meer macht da de directeur van de CIA. Powell had nog een ander probleem. Hij had een slecht voorgevoel bij de man die op het punt stond president te worden. In tegenstelling tot Powell zelf, die volkomen op de hoogte was van het interne reilen en zeilen van de regering, was Bush steeds een stiefkind geweest in het Witte Huis van Reagan. Hoewel hij zich zelf meer manifesteerde dan de meeste vice-presidenten, was hij geen medespeler. Bush en Powell hadden nooit een band met elkaar gekregen en Powell wist heel goed dat persoonlijke contacten alles voor Bush betekenden. Powell had ook moeite met de wijze waarop Bush zijn verkiezingscampagne had laten verlopen, met name met het propagandafilmpje op de televisie waarin hij de zwarte racist Willie Horton had laten vertonen. Horton, een veroordeelde moordenaar, had weekendverlof van de gevangenis gekregen. Dit gebeurde in de staat Massachusetts, waarvan Michael Dukakis, Bush' Democratische tegenstander in de presidentsverkiezingen, gouverneur was. Tijdens zijn weekendverlof stak Horton een blanke man neer en verkrachtte een blanke vrouw in Maryland. Dergelijke dingen konden dus gebeuren als Dukakis het voor het zeggen had. Geloofden Bush' medewerkers echt in die flauwekul? Powell zocht zijn goede vriend Richard L. Armitage op, de voormalige assistent van de staatssecretaris van Defensie voor kwesties die de internationale veiligheid betroffen. Armitage, een potige fanatiekeling die in 1967 was afgestudeerd aan de Marine-academie, stond bekend om de agressieve manier waarop hij invulling gaf aan zijn functie als hoofd van een afdeling die men het Pentagons eigen 'ministerietje van buitenlandse zaken' zou kunnen noemen. Armitage en Powell, die toen nog militair adviseur van minister van defensie Caspar Weinberger was, hadden van 1983 tot 1986 veel belangrijke zaken van het ministerie van defensie afgewikkeld. Armitage wist dat Powells charme en nonchalnce een dekmantel waren voor zijn ambities en zijn bereidheid zich met politieke tegenstanders te meten. Hij was het met Powell eens dat het halfslachtige aanbod voorlopig nog even aan te blijven als adviseur voor nationale veiligheid een beleefdheidsfrase was. Neem de post van nummer twee op het ministerie van buitenlandse zaken niet aan, adviseerde Armitage. Jij zou tot minister van buitenlandse zaken benoemd moeten worden. De CIA is niks voor jou, zei hij. Het is een gedemoraliseerd en vervallen zootje. Laat het maar even op z'n beloop, zei Armitage. (...) Powell kwam tot de conclusie dat hij beter in het leger kon blijven. Het was zijn thuisbasis en het vooruitzicht van vier sterren beviel hem wel. “Je had me niet gelukkiger kunnen maken”, zei Vuono toen hij het nieuws hoorde. “Ik stuur je naar het Commando Strijdkrachten.” Powell wist dat hij een moeilijk leven zou krijgen in Atlanta, waar het hoofdkwartier van het Commando Strijdkrachten gevestigd was. Als adviseur voor de nationale veiligheid was hij zich voortdurend bewust van de risico's die hij liep. Elk woord van hem, elke keuze die hij maakte, elke actie die hij ondernam, overal zat risico aan vast. President Reagan had een groot deel van zijn verantwoordelijkheden gedelegeerd aan zijn persoonlijke staf en Powell dacht zijn functie nog meer inhoud te kunnen geven als hij Reagan zou kunnen overhalen een aantal belangrijke militaire verantwoordelijkheden an hem te delegeren. Aldus geschiedde. Hoewel Powell al twee medicijnen tegen hoge bloeddruk moest slikken, genoot hij van zijn riskante, zenuwslopende bestaan. Hij deelde zijn verantwoordelijkheid met Reagans stafchef Kenneth Duberstein, een door de wol geverfde politicus uit Brooklyn. Powell deelde hem nu mee dat hij weer terugging naar het leger. “Het is jouw leven”, zei Duberstein. “Ik zou graag Voorzitter van de Gezamenlijke Chefs van Staven willen worden”, vertrouwde hij Duberstein toe. Het zat er ook in dat hij Stafchef van het leger zou worden, zei hij, maar de politieke en strategische ervaring die hij in Weinbergers ministerie had opgedaan, maakten hem waarschijnlijk geschikter als voorzitter. Duberstein zorgde ervoor dat de bevordering tot viersterren-generaal, noodzakelijk om het Commando Strijdkrachten te kunnen leiden, zonder vertraging doorgang kon vinden. Powell bracht een bezoek aan Bush, bedankte hem voor de aanbiedingen, en zei dat hij er tegenaan ging. “Nieuwe bezems vegen schoon”, zei Powell. Hij had geen hoop meer op een hoge civiele functie, want hij kende de regels: een nieuwe president stelt zijn eigen team samen. De president accepteerde zijn besluit zonder tegen te spreken. Powell stelde Reagan ook op de hoogte van zijn besluit om opperbevelhebber van het Commando Strijdkrachten te worden. “Dat is een promotie, nietwaar?” vroeg Reagan. Powell bevestigde het. “Nou, goed dan.” De gepensioneerde luitenant-generaal van de luchtmacht Brent Scowcroft kreeg op 23 november, een dag voor Thanksgiving, een telefoontje van zijn goede vriend R. James Woolsey jr., advocaat en voormalig staatssecretaris van de Marine. Woolsey had in een hoofdartikel van The New York Times gelezen dat Bush Scowcroft wel eens als minister van defensie zou kunnen kiezen. “Dat gebeurt niet”, zei Scowcroft. Nog geen uur later hoorde Woolsey op de radio dat Bush zojuist de verrrassende uitspraak had gedaan dat Scowcroft Powell zou opvolgen als adviseur van de president voor nationale veiligheid. Woolsey lachte in zichzelf. Scowcroft was in elk geval discreet, misschien wel een beetje te. De president had hem op het hart gedrukt er met niemand over te praten, en dus deed hij dat ook niet. Hoewel ze jaren hadden samengewerkt aan uitermate geheime onderzoeken van de regering en daarnaast gezamenlijk artikelen en nota's hadden geschreven over wapenbeheesing en militaire strategieen, had Scowcroft hem zelfs geen hint willen geven. Brent Scowcroft was het prototype van de betrouwbare, zich zelf wegcijferende amtenaar. Hij had zich de afgelopen twintig jaar verdekt opgesteld in nationale veiligheid-kringen. Hij was begonnen als assistent van Henry Kissingers adviseur voor nationale veiligheid en had zich opgewerkt tot adviseur van president Ford, toen Bush directeur van de CIA was. Daarna had hij zitting n talrijke presidentiele commissies en werkte als adviseur in internationale kwesties voor Kissinger Associates, waar hij een vermogen verdiende. Hij neigde ertoe zich op de achtergrond te houden, en was altijd bereid de zienswijze van de president te delen. Hij was een kop kleiner dan Bush, kalend en tenger. De drieTREMA NA AFBREKING ONDERDRUKT enzestigjarige Scowcroft was mormoon en begaf zich niet in regeringskringen. Hij verrichtte zijn werk met een toewijding die men nog slechts bij priesters aantreft. Zijn werk betekende alles voor hem. Scowcrofts opvatting van een avondje uit was het bijwonen van een lezing over wapenbeheersing, een onderwerp waar hij, ondanks de smerige details, niet genoeg van kon krijgen. Als voorzitter van een vergadering had hij eens anderhalf uur uitgeweid over een enkele zin in een voortreffelijk opgesteld rapport over strategische raketten. Het was zijn lust en zijn leven om over strategieen te praten, en waneer hij dat deed, krijste hij en zwaaide hij wild met zijn armen. Achter de onbewogen, bleke faade zat dus toch hartstocht. Scowcrofts vertrouwelingen wisten dat er in de afgelopen jaren een onderwerp was geweest dat zijn emoties had losgemaakt. Hoewel hij nauwe banden had met de regering-Reagan was hij het persoonlijk zeer oneens met haar buitenlandse en militaire politiek. Hij was van mening dat de Verenigde Staten onder Reagan eerst zo onverstandig en naef waren geweest zich onverzoenlijk tegenover de Sovjet-Unie op te stellen, en dat ze vervolgens naar de andere kant waren doorgeslagen door zich blindelings in Gorbatsjovs armen te storten. Hij had geen samenhangend regeringsbeleid met betrekking tot nucleaire afschrikmiddelen kunnen ontdekken en Reagans voorstel van 1986 in Reykjavik om alle geleide projectielen te ontmantelen had hij als 'gekkenwerk' bestempeld. Scowcroft vond het regeringsidee van een schild in de ruimte om de Verenigde Staten te beschermen tegen een aanval met atoomwapens, het zogenoemde Strategic Defense Initiative (SDI) getuigen van gebrek aan realiteitszin. Hij was van mening dat Reagans adviseurs voor nationale veiligheid hun president hadden moeten beschermen tegen diens eigen onvermogen en de romantische droomwereld van Buitenlandse Zaken. Omdat Scowcrofts kritiek op het standpunt van Reagan algemeen bekend was, kon zijn terugkeer naar het Witte Huis als adviseur van de president voor nationale veiligheid worden opgevat als een duidelijk teken dat Bush van plan was een andere weg in te slaan voor de buitenlandse en militaire politiek. *