Aidsbestrijding

Als professor J.P. Vandenbroucke schrijft: “De teloorgang van de redelijkheid bij de bestrijding van een (Aids) epidemie baart slechts aan enkelingen zorgen” (NRC Handelsblad, 31 mei) is hij defaitistisch en doet hij duidelijk een appel op meer redelijkheid.

De epidemiologische wens is duidelijk, noodzakelijk en redelijk: Onderzoek van steekproeven afgewerkte en anonieme bloedmonsters (bijvoorbeeld van de hielprik bij zuigelingen) kunnen voor een bepaalde stad of streek aangeven in hoeverre een bevolkingsgroep met Aidsvirus is besmet. Er is geen kwestie van opsporing van individuen, doch men weet dan of een bepaalde regio meer of minder risico loopt en of daar meer of minder preventieve onderzoeken of maatregelen nodig zijn. Zo weten we na onderzoek van hielprikbloedmonsters in 1987 dat het voorkomen van toxoplasma-infectie in de provincie Zuid-Holland zeer laag is, anzienlijk lager dan degenen die zich beraadden op screeningsonderzoek bij alle zwangeren, hadden vermoed (recent proefschrift van M.A.E. Conyn-van Spaendonck). Een rustig gesprek met degenen die voor de anonimiteit van de bloedmonsters en daarmee voor de privacy van het individu verantwoordelijk zijn is zinvoller dan het aannemen van en zich neerleggen bij onredelijkheid. De meerderheid van onze bevolking verdient dat.