ZOUT IN DE WONDEN VAN CHINA

Beijing Spring, 1989. Confrontation and Conflict. The Basic Documents door Michel Oksenberg, Lawrence R. Sullivan, Marc Lamber (red.), voorwoord Melanie Manion 403 blz., Eastgate Books M.E. Sharpe 1990, f 58,20 ISBN 0 87332 683 0 The Chinese People's Movement. Perspectives on Spring 1989 door Tony Saich (red.) 207 blz., Eastgate Books M.E. Sharpe 1990, f 45,- ISBN 0 87332 745 4 The Broken Mirror. China after Tiananmen door George Hicks (red.) 526 blz., Longman 1990, f 58,- ISBN 0 582 07485 1 Chinese Society on the Eve of Tiananmen. The Impact of Reform door Deborah Davis en Ezra F. Vogel (red.) 401 blz., Harvard University Press 1990, f 43,50 (pb) ISBN 0 674 12535 5

Na de eerste reeks journalistieke 'quickies' van eind zomer 1989 is er in de loop van 1990 een serie meer bedaagde boeken over de Chinese tragedie - die deze week haar tweede verjaardag herdacht - verschenen. Het zijn alle vier bundels met bijdragen van verschillende auteurs, allen jonge en veelbelovende, of gezaghebbende oudere sinologen, die elkaar vaak tegenspreken.

Schrijven over China is dan ook als schieten op een bewegend doel. De binnenlandse toestand in China en het negatieve imago van het land in de (Westerse) wereld mogen niet ingrijpend zijn veranderd, de evaluaties van China-goeroes en Westerse regeringen moeten voortduren worden bijgesteld. Gedurende de maanden die volgden op de onderdrukking van de studentenrebellie in juni 1989, was het in die kringen meest gehoorde scenario dat de partij-kliek van verblinde tachtigers en principeloze jongere collaborateurs zijn toch al zwaar gehavende legitimiteit onherstelbaar had ondermijnd, en dat de ondergang van het hele regime een kwestie van maximaal twee jaar was. Gorbatsjov, toen nog bewonderd als de grote vernieuwer, zou die ondergang helpen versnellen.

De ineenstorting van de Oosteuropese regimes, en vooral de executie van Ceausescu, bracht de bejaarden in Peking verder in paniek; optimisten in het westen meenden dat de vallende dominostenen van Oost-Europa via Buiten-Mongolie snel verder zuid-oostwaarts naar Peking zou rollen. De Chinese dissidenten-organisaties in Parijs en New York barstten in die tijd van optimisme, en hoopten dat zij snel naar huis zouden kunnen. Optimisme over de Democratische Alliantie in New York en het Democratisch Front in Parijs brachten Frank Niming van het Sinologisch Instituut in Leiden in zijn essay 'Learning how to protest' in de bundel The Chinese People's Movement zelfs tot de uitspraak dat China's politieke toekomst niet meer in China, maar in Parijs gemaakt wordt.

De stem van de ballingen is echter verstomd na het falen, vorig jaar zomer, van de pogingen vanaf een omroepschip in de Oostchinese wateren een dissidente zender de ether in te krijgen. De reden van dat echec lag vooral in de extreme druk van China op Hongkong en Taiwan om de ballingen-organisaties te negeren. Hongkong leeft in de schaduw van de naderende vereniging met de Volksrepubliek, en Taiwan is grootschalig bezig de Chinese markt te penetreren. Hulp aan dissidenten kan dat alleen maar compliceren.

GEEN STATUS

Bovendien zijn de literaire voormannen onder de ballingen, die in het Westen ideeen en inspiratie hoopten te vinden, teleurgesteld in de over-individualistische Westerse samenleving, waarin zij geen status, geen publiek en geen geld hebben. Zij voelen zich afgesneden van de snelle ontwikkelingen in China, waar op cultureel en sociaal gebied de post-communistische maatschappij met een compleet taalgebruik al begonnen is. Zo schrijven de orthodoxe ideologen tegenwoordig hele traktaten in het Volksdagblad tegen het woord 'juffrouw' (xiao-jie), dat zij als een restant van de feodale maatschappij bestempelen. Jonge meisjes, die er inmiddels door de moderevolutie even extravagant uitzien als hun Westerse soortgenoten, gruwen echter van het woord 'kameraad'. Als de literatoren waarborgen voor hun persoonlijke veiligheid zouden kunnen krijgen, gingen zij naar alle waarschijnlijkheid dan ook onmiddellijk naar huis.

Wat de politieke leiders van de ballingen tot inkeer heeft gebracht, is het besef dat het huidige orthodoxe regime niet snel ten val zal komen. De hulpeloosheid van Gorbatsjov tegenover de permanente crisis in zijn land heeft de Chinese liberalen verder gedemoraliseerd en de hardliners gerustgesteld dat er geen Russisch besmettingsgevaar voor het orthodoxe Chinese marxistische bewind (in tegenstelling tot de bevolking) meer is. Verder hebben de meeste westerse landen de sancties tegen China opgeheven; de afgelopen maanden zijn de regeringscontacten op hoog niveau met Engeland, Frankrijk en Italie hervat. President Bush heeft China's status als meest begunstigde natie verlengd, al moet daarover nog een heel gevecht in het Congres worden geleverd. Niettemin blijft China zeer beducht voor 'vreedzame evolutie', de Chinese standaardterm voor westerse 'complotten' die de geweldloze eliminatie van het communisme ten doel hebben, een term die oorspronkelijk in de jaren vijftig is geformuleerd door de Amerikaanse architect van de Koude Oorlog, John Foster Dulles.

Wat de kans op een snelle omwenteling niet groter maakt, is het feit dat op economisch gebied de toestand in China minder rampzalig is dan in de Sovjet-Unie. De verlieslijdende, subsidie-verslindende staatssector is ook een wangedrocht, waarin echter in tegenstelling tot de Sovjet-Unie niet wordt gestaakt. De micro-sector, de distributie van consumptie-goederen, functioneert. Weliswaar stijgt de levensstandaard nauwelijks of niet, hij gaat ook niet zienderogen achteruit, terwijl dat twee, drie jaar geleden met de hollende inflatie en hamsterwoede wel het geval was. Door de externe ontspanning en interne 'pacificatie' is een nieuw soort legitimiteit ontstaan, waarvan geen mens kan zeggen hoe duurzaam die is. Een Chinese wetenschapper met het pseudoniem Hong Shi noemde de situatie in zijn land in het Amerikaanse blad Asian Survey onlangs 'tranquility by default', vrij vertaald: rust bij gebrek aan iets beters. De communisten worden gehaat en geminacht, en dat weten zij, maar er is geen alternatief dat de macht kan veroveren om het immense land bij elkaar en onder de duim te houden. Rondom kritieke data als de verjaardag van de vierde juni is bovendien de preventieve repressie zo scherp dat grote protesten volstrekt onmogelijk zijn, en kleine prik-acties, zoals het gooien van flessen, die slechts symbolische betekenis hebben, al uiterst riskant zijn.

CRISES Dat het vroeg of laat tot nieuwe oppositie-activiteiten zal komen, lijdt geen twijfel, maar het is onwaarschijnlijk dat die ooit de omvang van 1989 zullen aannemen. Voorjaar 1989 was zo'n unieke accumulatie van crises, herdenkingen en belangrijke bezoeken dat herhaling bijna ondenkbaar is.

Allereerst was er de sociaal-economische crisis over inflatie en corruptie; de rebellie van intellectuelen die van 1989 een amnestie-jaar voor politieke gevangenen wilden maken; het bezoek van president Bush die 'China's Sacharov', Fang Lizhi voor een banket uitnodigde, hetgeen uitliep op een politie-rel; het complot van de hoogbejaarden om partijleider Zhao Ziyang ten val te brengen (dat blijkens Beijing Spring in maart al in volle gang was); de dood van de in 1987 afgezette liberale partijleider Hu Yaobang, de top met Gorbatsjov etcetera.

De snelle opeenvolging van kritieke gebeurtenissen over een relatief lange periode maakte het voor de studenten mogelijk de protesten te escaleren, terwijl de regering aanvankelijk niet klaar was voor het gebruik van geweld. Later pas verloor het bewind keer op keer zijn gezicht door in uiterste wanhoop naar het middel van bruut geweld te grijpen. Woei Lien Chong, eveneens van het Sinologisch Instituut in Leiden merkt in 'Petitioners, Popperians and Hunger Strikers' in The Chinese People's Movement op dat de opponenten van Zhao Ziyang de dialoog met de studenten daags voor de aankomst van Gorbatsjov moedwillig lieten mislukken zodat het plein niet zou worden ontruimd voor diens aankomst. Zij konden dan partijleider Zhao de schuld geven, en zijn politiek lot bezegelen. Chong noemt hiervoor geen bewijs. Er zijn daarentegen wel vele indicaties van het tegendeel, onder andere een bandopname van president Yang Shangkun, Zhao's opponent, die na het vertrek van Gorbatsjov gromde: ''Deze studenten hebben ons in ons hemd gezet. We zullen hun een les leren.''

Veel te optimistisch over de nalatenschap van de beweging is Lawrence Sullivan van Columbia University in zijn hoofdstuk 'The Emergence of Civil Society in China, Spring 1989' in dezelfde bundel. Hij signaleert tijdens die epische zeven weken de transformatie van het Chinese volk van een 'losse zandplaat' tot een zelfbesturende burgermaatschappij die in termen van Rousseau haar 'generale wil en sociaal contract'

formuleerde. Er was echter, zoals Tony Saich opmerkt in 'When World Collide' in dezelfde bundel een generaal conflict tussen twee willen, namelijk die van de studenten en die van de arbeiders. De studenten wilden aanvankelijk geen buitenstaanders in de beweging, terwijl de nieuw opgerichte vrije arbeidersbond in een open brief van 21 mei als zijnde de 'meest geavanceerde klasse' de rol van 'ruggegraat van de beweging' opeiste.

BIJBAANTJES

Sullivan meende dat het spontane, kortstondige 'sociale contract' zelfs door dwang en propaganda niet meer kon worden teruggedraaid. Nu, twee jaar na dato, is er niets meer van te merken. Het Chinese volk is een lossere hoop zand dan ooit tevoren. Slechts een uiterst kleine minderheid is nog actief in politiek en samenleving genteresseerd. De meerderheid weet met haar onmacht en wrok geen raad en ziet als enige uitweg het bijeengraaien van geld, waarbij alle middelen, van semi-corrupte bijbaantjes tot afpersing en fraude, schering en inslag zijn. Deze degeneratie was al voor de Lente van 1989 begonnen en vindt volgens Kathleen Hartford in haar briljante stuk 'The Political Economy behind Beijing Spring' in dezelfde bundel haar oorzaak in de ineenstorting van het oude 'sociaal contract' van 1949 dat de communisten impliciet met het Chinese volk sloten. Dit creeerde drie solide client-groepen: stedelijke bureaucraten, plattelands-kaders en fabrieksarbeiders, die tijdens het Mao-tijdperk een elite-groep waren. De economische hervormingen, vooral die na 1984, transformeerden China echter tot een gewoon Derde Wereld-land met een plattelandsstrategie, geconcentreerd op hoog-gecommercialiseerde, zeer kapitaalkrachtige boeren, die zich steeds meer op export richtten. De nieuwe ondernemers bedreigden in snel tempo de status en het economisch welzijn van de plattelands-partijkaders en de stadsbureaucraten.

Arbeiders in staatsbedrijven werden ook de minderen van hun collega's in de veel efficientere plattelandsindustrieen. Het forceren van een hardhandige doorbraak was politiek onmogelijk, en als lapmiddel gaf de partij de oude client-groepen allerlei vormen van compensatie. Daarmee creeerde ze tegelijkertijd nieuwe groepen. ''Daardoor verstrikte zij zich in de vicieuze spiraal van met de ene hand ongedaan maken wat ze net met de andere had opgebouwd; een spiraal die steeds moeilijker kon worden doorbroken zonder het hele politieke gebouw neer te halen,'' aldus Hartford?

Partijleider Zhao toonde zich net als de 'vroege Gorbatsjov' bereid het hele gebouw neer te halen. Hij wist dat de hervormingen moesten worden versneld, wilden zij niet geheel mislukken. Om een on-marxistische, theoretische basis voor zijn positie als nieuwe 'sterke man' inplaats van de marxist Deng Xiao ping te vinden, zette hij najaar 1988 zijn adviseurs aan het werk om de theorie van de 'nieuwe autoriteit' (new authoritarianism) van de Amerikaanse politicoloog Huntington, die in Zuid-Korea en Taiwan tot spectaculaire successen had geleid, op maat te snijden voor de Chinese situatie. Beijing Spring besteedt aan dat debat een heel hoofdstuk, dat alle theoretische bijdragen van Zhao's denktank-adviseurs bevat, met name die van Wu Jia xiang. De neo-autoritaire leider zou een tijdelijk fenomeen moeten zijn, die alle versnipperde macht aan zich zou trekken om de markt-economie te vestigen, want zonder sterk leiderschap zouden de rommelige hervormingen tot een permanent gefragmenteerd en chaotisch politiek en economisch systeem leiden. Voordat het debat tot conclusies kwam, was Zhao afgezet en knalden de mitrailleurs.

LEUGENS

Het meest schrijnend in de vier boeken zijn de hoofdstukken over China's intellectuelen. Richard Madsen citeert in 'The Spiritual Crisis of China's Intellectuals' (in Chinese society on the Eve of Tiananmen) een jonge Chinese onderzoeker die zegt: ''Jullie buitenlanders kunnen de diepte van onze pijnen niet bevroeden.'' Madsen beschrijft de hartverscheurende dilemma's van Zhao Fusan, een van China's briljantste en meest kosmopolitische geleerden. Zhao werd in zijn positie van vice-president van China's prominentste denktank, de Chinese Academie van Sociale Wetenschappen in 1987 gedwongen intolerante artikelen tegen bourgeois-liberalisering (verwestersing) in het Volksdagblad te schrijven. Begin juni 1989 was hij in Parijs voor een conferentie van deUNESCO, waarbij hij Chinees ambassadeur is. Hij besloot niet naar China terug te keren. Het vooruitzicht te worden gedwongen lippendienst aan de leugens van de moordenaars te bewijzen, was hem te machtig geworden. Zhao doceert nu aan een obscure universiteit in de VS.

Een volkomen ander soort intellectueel, over wie de Australier Geremie Barme een schitterend essay heeft geschreven in The Broken Mirror, is Liu Xiaobo, die zichzelf als de Chinese Nietzsche ziet. Liu staat overal buiten en boven, en gooit kilo's zout in de wonden die Chinese intellectuelen al hebben.

Liu minacht ze omdat ze geen meester over hun eigen leven zijn. Zij tonen nooit onafhankelijkheid, en durven hun mond pas open te doen als er een beschermende hand van bovenaf voelbaar is. Elke Chinees is volgens hem mede-verantwoordelijk voor de permanente crisis van China, die niet de fout van een paar megalomane despoten is, maar van het hele, apathische volk. Hij vraagt zich in wanhoop af waarom de Chinezen alleen figuren uit het establishment die minder slecht zijn dan de rest, als helden kunnen vereren, bijvoorbeeld Zhou Enlai en Hu Yaobang. Een individuele held als Wei Jingsheng, die al twaalf jaar in een cel vegeteert als straf voor zijn rol in de eerste democratische beweging van 1978-1979, is daarentegen vergeten.

Liu trekt zelfs van leer tegen de studentenbeweging, waarbij hij zich overigens aarzelend aansloot. Hij jammert dat geen enkele democratische beweging in China verder is gekomen dan leuzen. Een nieuwe democratische beweging acht Liu pas mogelijk als er weer een sponsor uit het partij-establishment voor is, zoals Zhao in 1989. Pessimistischer kan het niet.

The Broken Mirror is de compleetste van de bundels, maar verscheen het eerst - midden 1990 - en toont daarom het sterkst de morele verontwaardiging die inmiddels wat bekoeld is. Chinese Society on the Eve of Tiananmen, The Impact of Reform is de weergave van een conferentie aan de Harvard Universiteit over de Chinese hervormingscrisis in mei 1988. Na het drama van juni 1989 was het manuscript zodanig achterhaald dat de auteurs China opnieuw hebben bezocht, en hun hoofdstukken hebben aangepast. Voor professionele sociologen en economen is dit boek het waardevolst. Beijing Spring, 1989.

Niet bekend

Het Chinese doel is te complex en beweegt te snel.