Zelf (solide) beleggen

Kranten en tijdschriften staan vol wervende advertenties van (spaar)banken en verzekeringsmaatschappijen die graag het geld van anderen willen beheren. In ruil voor het tijdelijk afstaan, het verhuren, van dat geld krijg je een vergoeding in de vorm van rente, een soort huur. Soms kan een beheerder zo goed met geld omgaan dat hij, naast de rente, ook nog een klein deel van zijn bedrijfs- en-of beleggingswinst als extraatje uitkeert aan zijn financiele voedingsbronnen.

De beheerder verhuurt de ontvangen gelden aan bedrijven, instellingen, overheden en particulieren tegen een (liefst) hogere rente dan hij er zelf voor moet betalen. Uit het voordelige verschil tussen ontvangen en betaalde rente haalt het geldverhuurbedrijf zijn kostendekking, winst en reserveringen.

Wie mans genoeg is, slaat de bemiddelaar over en leent zijn geld rechtstreeks uit aan een behoeftige medelander. Je staat dan gelijk voor een netelig vraagstuk: krijg ik het zonder veel problemen en op de afgesproken tijd terug? Sommige mensen (debiteuren) betalen stipt op tijd. Anderen moet je een paar keer manen voordat ze met pijn en moeite aan hun verplichting voldoen. Het ligt voor de hand aan stipte debiteuren met een goede naam een lagere rente te vragen dan aan onbekende geldleners. Dat verklaart mede de verschillen in rente op de financiele markten. De beste debiteuren betalen het minst.

De inflatieverwachting is een andere factor die invloed heeft op de rente. Dat wil zeggen: als je geld uitleent wil je dat het evenveel waard is, er net zoveel voor kan kopen, wanneer je het terug krijgt. Verwachten de financiele markten (een individu heeft geen invloed) dat het geld over een jaar, bij voorbeeld drie procent, minder waard is, dan wordt daarmee door de grote geldgevers rekening gehouden bij de vaststelling van de rente die zij willen ontvangen, de hogere verhuurprijs die zij bedingen.

Een bekende behoeftige, desondanks eerste klas debiteur, is de Staat der Nederlanden, die op de openbare markt de laagste rente van allemaal betaalt, omdat het risico op de rente- en aflossingbetalingen te verwaarlozen is en de gulden een stabiele munteenheid. Daarom is het nauwelijks mogelijk, dat is een vuistregel, om bij een even groot risico een hogere rente (rendement) te behalen. Wel kan de vraag naar geld zo hoog oplopen dat de rentetarieven voor kortlopende leningen hoger zijn dan de rendementen op staatsleningen.

Iedereen die geld wil uitlenen aan de staat en zijn (spaar)geld zelf wil beheren kan op de beurs, via een bemiddelaar, obligaties (schuldbewijzen) met een nominale waarde van duizend gulden per stuk per kopen. Er is keus uit bijna 150 verschillende staatsleningen. Het Weekoverzicht Obligaties in de krant van zaterdag begint met een selectie, in volgorde van rentepercentage, van 110 van die leningen. De lening met het hoogste percentage, de 12 3-4 % 1981 - 1991 die op 1 december a.s. volledig zal zijn afgelost, staat bovenaan.

Op andere dagen zijn 23 courante leningen vermeld onder het hoofd Staatsobligaties in het overzicht van de Amsterdamse beurs.

Een obligatie is een rustige belegging voor de lange termijn, die eens per jaar rente uitkeert en op een van te voren bekend tijdstip wordt afgelost, tenzij het een lening is die in delen aflost. Een voorbeeld. De 8 % staatslening van dit jaar, die in het 2006 aflost, heeft een looptijd van 15 jaar. De koper van zo'n obligatie betaalt, inclusief kosten, iets meer dan duizend gulden en ontvangt op 1 juni 2006 duizend gulden aan aflossing. Ieder jaar op 1 juni betaalt de staat 85 gulden (8 % van 1000) aan (IB-belaste) rente. De obligatie kan op ieder gewenst moment op de beurs worden verkocht. Niet zeker is wat de waarde dan zal zijn, omdat de koers van een obligatie op en neer gaat met het rentepeil op de financiele markten. Als de rente oploopt, tot bij voorbeeld 10 procent, dan is de genoemde 8 procent lening minder aantrekkelijk en geeft men er minder voor om de 1,5 procent lagere rente opbrengst te compenseren. Dat is een van de weinige risico's van een obligatie: als de rente stijgt, dalen de koersen van de obligaties. Wanneer de rente daalt, worden de obligaties meer waard. Die ogenschijnlijke tegenstrijdigheid, brengt velen steeds weer in verwarring.

Een lening met een rente onder het huidige peil kost dus minder dan duizend gulden. De 6 3-4% lening die in 1998 afloopt doet ongeveer 900 gulden. Maar straks is de aflossing gewoon 1000 gulden. Het verschil van 100 gulden is vrij van IB. Zo zijn er tal van (belasting)kanten aan een obligatie.

Met hulp van een adviseur zijn er vooral in vastrentende waarden solide portefeuilles te bedenken.