Thorbecke gered

Geen politicus heeft de staatkundige geschiedenis van Nederland in het derde kwartaal van de negentiende eeuw zo volkomen beheerst als J.R. Thorbecke (1798-1872).

Meer dan iemand anders was hij het centrum van het staatkundige leven van zijn tijd, meer dan enige andere staatsman domineerde hij de kabinetten waaraan hij leiding gaf (zelfs wanneer hij er zelf buiten bleef). Meer dan iemand anders was hij ook de ziel en vormgever van de grondwet van 1848, waarover kenners en liefhebbers tot de tegenwoordige dag nog niet uitgepraat zijn. Zijn naam was zo groot dat alle Thorbeckes die na hem kwamen - en van wie sommigen heel bekwame publieke figuren in their own right waren - nooit uit zijn schaduw zijn gekomen.

Dat is het lot van de meeste zonen van beroemde vaders, maar Thorbeckes zoon Willem (1843-1917) had meer verdiend. Volgens tijdgenoten was hij een hoogst capabele (lands)advocaat, die tot de vooraanstaande juristen op zijn vakgebied werd gerekend en ten onrechte niet boven de nevelen van de geschiedenis is uitgekomen. Maar zijn grootste verdienste is de toewijding die hij zijn levenlang aan de verzorging en het beheer van de papieren van zijn vader heeft betoond. Willem Thorbecke ging gebukt onder een verantwoordelijkheid waarvan de buitenwereld niet de flauwste notie had en waarvan het volle gewicht eigenlijk nu pas goed en wel aan het licht is gekomen: het opsporen en terugvragen van de vele honderden brieven die zijn vader aan belangrijke tijdgenoten had geschreven - en die bij elkaar een cultuurbezit vormen die de zoon al op volle waarde moet hebben geschat. Bij het ontbreken van kopieermachines was een negentiende-eeuwse briefschrijver die afschriften van zijn brieven wilde bewaren, op zijn eigen hand aangewezen. Als hij de tijd daarvoor miste, mocht hij alleen nog hopen dat zijn nabestaanden ze later van de geadresseerden zouden terugkrijgen. Gelukkig was het in die hoogtij van de correspondentiecultuur een in ruime kring gerespecteerde gewoonte elkaar de brieven die over en weer waren geschreven terug te geven: of de geadresseerden gaven ze uit zichzelf aan de erven van de afzenders terug of de erven vroegen ze terug.

Willem Thorbecke legde aldus de fundamenten van de belangrijkste brievenverzameling die de Nederlandse geschiedenis van de negentiende eeuw kent - ruwweg 2500 (bewaard gebleven) brieven van J.R. Thorbecke aan de belangrijkste publieke figuren uit staatkunde en wetenschap en plus minus 10.000 brieven aan Thorbecke. De inventarislijst van de reeds wetenschappelijk bezorgde brieven (die als Rijks Geschiedkundige Publicatie intussen tot het jaar 1840 zijn gevorderd en op het punt staan de jaren van Thorbeckes staatkundige doorbraak te bereiken) en van de brieven die in de komende tien jaar nog het licht zullen zien, vormt zo goed als de gehele Nederlandse Who's who van het tijdvak waarin Thorbecke leefde. Willems oudste zoon (1881-1950), die naar zijn beroemde grootvader was genoemd en de volgende eigenaar van het Thorbecke-archief werd, onderhield de culturele erfenis van de familie even gewetensvol. Deze tweede familie-archivaris en rechter in het dagelijks leven (ten slotte vice-president van de Haagse rechtbank), die bij het aanzwellen van de collectie inzag dat de papieren van zijn grootvader een voor particulieren onbeheersbare culturele Fundgrube waren, haalde er de uit Belgie afkomstige historicus E. Cantillon bij, die de ordening en inventarisatie professioneel overnam.

Toen begonnen de problemen pas goed. Johan Rudolf, de kleinzoon, had in zijn pogingen om de collectie onder overheidsbescherming te plaatsen al heel wat onbegrip en tegenwerking ondervonden, maar de bezuinigingspolitiek van Colijn sloeg alles. Het onthoudingsbeleid van de regering nam zelfs grotesk-krenterige vormen aan. Er kon zelfs geen medewerking af voor het kopieren van de brieven door het Bureau van de RGP. Weliswaar namen tal van ministers, Kamerleden, staatsraden en raadsheren zitting in een door Marchant in 1935 opgericht Eere-Comite, maar de overheid zelf kwam financieel niet over de brug. Niettemin bleef Colijn er ondanks de crisis goed van roken (Rogier wijst in het laatste deel van L. de Jongs Geschiedenis van het Koninkrijk in de Tweede Wereldoorlog op de discrepantie tussen Colijns persoonlijke luxe van 35 sigaren per dag en zijn hartvochtige bezuinigingsbeleid dat de samenleving in haar geledingen trof).

Als de oorlog later was uitgebroken, was het er misschien nog van gekomen, maar op 10 mei 1940 hadden de slepende schermutselingen over een rijksuitgave nog geen enkel resultaat gehad en concludeerden alle partijen die erbij betrokken waren dat het rijksuitgave-project was mislukt.

Particulier initiatief bereikte nauwelijks meer. De NV Nijhoff kwam in het geweer, maar hoeveel bewerkers zich achtereenvolgens ook bereid verklaarden het herculische werk aan te vatten, het project kwam niet van de grond. Vormden de financien eerst een obstakel, later dreigde de wetenschappelijke uitgave van de brieven vast te lopen in eindeloos theologiseren over de selectienormen van de bewerk(st)er en de zeggenschap die het toenmalige Historisch Genootschap over de uitgave opeiste. De familie Thorbecke raakte daarover zo kribbig dat W. Thorbecke, de tegenwoordige eigenaar van het archief, in 1959 de overeenkomst voor de uitgave opzegde.

Het duurde tot de komst van de Utrechtse hoogleraar prof.dr. J.C. Boogman voordat de uitgave als Rijks Geschiedkundige Publicatie voor het eerst zonder wrijving kon worden voortgezet. Onder de handen van zijn opvolger drs. G.H.

Hooykaas werden de brieven met zoveel regelmaat en voortvarendheid uitgegeven dat de familie, on-Thorbeckiaans, zelfs met complimenten begon te strooien.

Juist toen het einde van de lijdensweg in zicht leek te komen, zette de Universiteit van Utrecht, waar de bewerker was tewerkgesteld, een domper op het optimisme dat de laatste brieven in de RGP-reeks nog deze eeuw het licht zouden zien door Hooykaas in een aantal bezuinigingsrondes zo goed als weg te saneren. Het heeft precies drie jaar geduurd om die tegenslag ongedaan te maken: na aanhoudende Kamervragen van elf Eerste Kamerleden, vele particuliere en institutionele interventies voor en achter de schermen, bozen brieven van hoogleraren en demarches van oud-ministers en ambtenaren, lukte het de minister van onderwijs Ritzen ten slotte enkele partijen bij elkaar te krijgen en masserenderwijs een oplossing tot stand te brengen die zowel Hooykaas als de uitgaven van de brieven in veilige haven bracht.

Eind vorige maand maakte de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) bekend dat de Stichting voor Historisch Onderzoek (SHO) een bedrag van (f) 875.000 had gereserveerd om de brievenuitgave een levensverlenging van vijf jaar te verzekeren. So far so good.