Rijke toekomst ligt in het verschiet voor Algerije

ALGERIJE GAAT in de toekomst voort op het ingeslagen pad van economische hervormingen. Dat blijkt uit de benoeming door president Chadli Benjedid van Sid Ahmed Ghozali tot Algerijes nieuwe premier.

Ghozali, die bekend staat als een politiek geengageerd technocraat met opvallende onderhandelingsgaven, werd in 1966 directeur van de Algerijnse staatsoliemaatschappij Sonatrach, in 1977 minister voor olie- en energiezaken en in 1979 minister voor waterkracht. Van 1984 tot 1988 was hij Algerijes vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschap in Brussel, werd toen een jaar lang minister van financien en vervolgens minister van buitenlandse zaken in het nu afgetreden kabinet Hamrouche.

In de jaren na de onafhankelijkheid van 1962 stortte Algerije zich in grootscheepse zware industriele projecten, die nooit echt rendabel hebben gedraaid, ontzettend veel geld verslonden en eigenlijk als een molensteen om 's lands nek hangen.

Algerije staat nu voor de moeilijke en onaangename taak het puin uit die jaren te ruimen. Het land kampt met een verwaarloosde infra-structuur, een gigantische woningnood, een jaarlijks met drie procent aanzwellend leger van werkloze jongeren waarvoor de arbeidsmarkt geen banen heeft en een landbouw die volledig in het slop is geraakt. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de Algerijnen het ook niet gemakkelijk hebben gehad. Het resultaat van 130 jaar Frans bewind is geweest dat aan de vooravond van de onafhankelijkheid de hele economie zich in Europese handen bevond. Het bestuur, de industrie, de landbouw, het onderwijs zij waren allemaal stevig in Europese handen. In de periode tussen 1961 en 1963 vertrokken praktisch alle “colons” naar Frankrijk of elders, zodat de Algerijnen achterbleven met een fraai ogende maar in feite lege huls. Het land zag zich voor de taak gesteld een nieuw technisch kader en bestuursapparaat te creeren. Geholpen door hun olie-inkomsten hebben de Algerijnen zich al met al niet eens zo slecht van die taak gekweten. Het kader is er inmiddels, Algerije heeft een overvloed aan natuurlijke rijkdommen en met een verstandig economisch beleid zou het mogelijk moeten zijn er een rijk en welvarend land van te maken.

Er is, sinds de “couc-cous-opstand” van 1988 in Algerije veel gebeurd. De Algerijnse dinar is convertibel gemaakt en in een vrije val met 75% gedevalueerd. Het prijsmechanisme is ingevoerd, de investeringen in de prive-sector zijn aangemoedigd en buitenlands kapitaal is meer dan welkom mee te doen aan de economische opbouw. De moeizame kwestie van Algerijes schuldenlast van 25 miljard dollar is geregeld en het land wordt weer als kredietwaardig beschouwd.

De nieuwe regering start zelfs met een aardig beginkapitaal. Algerije kan sinds begin deze week bij het IMF beschikken over een lopend krediet van iets meer dan 400 miljoen dollar.

Voorts krijgt het zo nodig een extra krediet zo'n 280 miljoen als er betalingsbalansproblemen optreden tengevolge van het plotseling inzakken van de olie- en gasprijzen, Algerijes twee belangrijkste exportprodukten. Maar het meeste baat heeft Algiers met de manier waarop de Middellandse Zeeleden van de EG naar de “Maghreb” beginnen te kijken. Zoals de Marokkaanse ambassadeur bij de EG, Abdallah Lahlou enige tijd geleden zei: “De Maghreb verdient een aparte plaats in het Europese denken. Kijk naar de Verenigde Staten. Die gaan steeds sterkere vrijhandelsbetrekkingen aan met Mexico. De Maghreb is een beetje het Mexico van Europa, alleen hebben de Europeanen dat nog niet door.” Dat geldt misschien voor de noordelijke Germaanse helft, voor de Latijnse afdeling van de EG geldt het allerminst. Zo wil bijvoorbeeld de Italiaanse minister van buitenlandse zaken Gianni De Michaelis zelfs een op de Mahgreb gerichte Europese ontwikkelingsbank, volgens het model van de Europese ontwikkelingsbank voor Oost-Europa. Hij wil ook dat de EG een kwart procent van haar bruto nationaal produkt als hulp aan de Noordafrikaanse landen beschikbaar stelt.

Italie laat het niet bij woorden. Het opende twee enorme kredietlijnen voor de Algerijnen. Op 2 mei ondertekenden de twee landen in Rome een samenwerkingsakkoord dat voorziet in 2,5 miljard dollar aan betalingsbalanssteun en een lopend krediet van 4,5 miljard dollar, waarmee Algiers zich de komende jaren in de Italiaanse spullen mag steken. Daar waren de Algerijnen trouwens al mee bezig. In december 1989 gaf Italie Algiers al voor 300 miljoen dollar aan hulp om het Algerijnse economische hervormingsprogramma te financieren.

Enige maanden later opende de Italiaanse president Cossiga in Algerije een Fiat-fabriek, die Rome 80 miljoen dollar had gekost. De fabriek is goed voor veertigduizend auto's per jaar en moet het begin vormen van een eigen Algerijnse auto-industrie, met alle werkgelegenheid vandien. Cossiga prees tijdens het lintenknippen uitbunding de “meer dan voorbeeldige Italiaans-Algerijnse betrekkingen”, vriendelijk toegeknikt door zijn Algerijnse gastheren, die geen kwaad woord willen horen over hun gulle vriend aan de overkant.

“Italiaanse auto's zijn even goed als Franse auto's en hebben het voordeel dat zij die irritant nadrukkelijke Franse verpakking missen. Met de Italianen kun je gewoon zaken doen, zonder de paternalistische culturele bla-bla, die Parijs ten opzichte van ons maar niet af kan leren,” aldus een hooggeplaatde Algerijnse econoom.

Om niet achter te blijven springt ook Spanje gul om met zijn hulp aan de Noordafrikaanse buren. Er komt bijvoorbeeld eindelijk schot in de Transmaghrebijnse pijpleiding die via Marokko aan Spanje en via Tunesie aan Italie Algerijns gas moet gaan leveren.

Dat de regering en het Algerijnse leger nu een halt hebben toegeroepen aan het fundamentalitsich-islamitische FIS, zal westerse kredietverschaffers extra aangenaam zijn. Het FIS wil in Algerije het islamitische plichtenrecht invoeren, dat Westerse zaken zoals bankrente, verzekeringen, naamloze vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en dergelijke als zondig want tegen Allah's wil gekeerd, ten strengste verbiedt. Daar zitten Westerse bankiers niet op te wachten en daarom knikken zij op dit moment Algerijes bestuurders vriendelijk toe.