RADIOPRAATJES

Uit het Oude Europa (Deel 6 uit de reeks: Bronnen van de Europese cultuur) door F. van der Meer 255 blz., gell., Ambo 1991, f 55,- ISBN 90 263 1037 4

Ooit - het was na mijn verjaarsfeest, de kamer was weer opgeruimd, de vrienden waren vertrokken en de lege flessen opgeruimd - draaide ik Mahlers Vijfde terwijl het venster openstond. Er liep een wandelaar door de stille zondagse straat. Hij riep mij aan en vroeg: ''Mahler he?''. Ik bevestigde. ''Mooi!,'' zei hij en liep weer door. In zeven jaar kunstgeschiedenis waarin duizenden dia's werden vertoond had er nog nooit een universitair medewerker een lichtbeeld stilgezet en dromerig gezegd: 'Mooi'. Dat heb ik nooit anders kunnen zien dan als een gebrek aan liefde.

In F. van der Meers onlangs verschenen Uit het Oude Europa, een greep uit de gelijknamige bundel van 1957 en de integrale herdruk van Paasmorgen (1959), Zeven ware legenden (1962) en De val der engelen (1982) is die liefde voor de kunst wel zeer sterk aanwezig. Ofschoon Van der Meer de reputatie had streng en veeleisend te wezen jegens de studenten, moet hij een goed leermeester zijn geweest. Zijn leerstoel aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, 'Christelijke archeologie en kunstgeschiedenis van de middeleeuwen', verried niet alleen zijn specialisme maar meer nog zijn voorliefde. Over de barok kwam geen goed woord over zijn lippen.

Uit het Oude Europa is - zoals deze bundel verzuimt te melden - een bundeling radiopraatjes met een aangenaam-katholieke invalshoek. Geen kunst immers zonder de Kerk, en de fijnzinnige observaties van Van der Meer zijn sterk ingeleefd, diep gevoeld en treffend verwoord. Voor wie graag de christelijke origine van onze cultuur beklemtoont, is dit deel van de bundel een spekkie voor het bekkie. De kunst wordt hier in zijn functie geplaatst: bouwsteen te zijn van het devote leven.

Toch is het is merkwaardig dat uitgeverij Ambo, tien jaar na de bloemlezing door Kees Fens uit Van der Meers oeuvre (verschenen onder de titel Het toneel is in de hemel) dit alles nog eens dunnetjes over doet. Nu ligt er opnieuw een bloemlezing die de vorige overlapt, en daar is geen excuus voor als 'uitverkocht' of 'nergens meer te vinden'. De bijdragen 'Paasmorgen' (hoezeer inspirerend voor sommigen) en 'Zeven ware legenden' konden Van der Meer in 1964 nog de P. C.

Hooftprijs opleveren, thans is dat proza toch te bezwangerd om nog aan te spreken.

'Paasmorgen' bestaat uit lyrisch proza naar aanleiding van het altaarluik van Rogier van der Weyden met Christus'

verschijning aan Maria op die ochtend en een feestikoon van de Anastasis (Christus' kortstondige hellevaart). 'Zeven ware legenden' zijn hervertellingen van oude geschiedenissen van deugdzame mensen waar God welbehagen in schept.

De bijdrage 'De tweede val der engelen' uit 1982 daarentegen is een prachtig en helder geschreven betoog over de vraag of engelen vleugels hebben. Niet in de bijbel, wel in de kunst, zo is de conclusie, want, zoals niet zonder humor wordt geconcludeerd: ''Mensen willen graag zien. Daarom plukken engelen bloemen, trekken zij de Madonna aan haar kleed en maken zij muziek op 15de-eeuwse instrumenten. Geloven en zien gaan hier hand in hand.''

Voor deze reeks 'Bronnen van de Europese cultuur' had men, nu Van der Meers Christus' oudste gewaad er ook in is opgenomen, beter diens nimmer gepubliceerde radio-praatjes gebundeld, die meer nog dan de hedendaagse variant in Van Os'

'Museumschatten' tot de verbeelding spreken. Stellig was daarmee minstens zo goed recht gedaan aan 's schrijvers drijfveer: er is geen kunst dan christelijke kunst, en van deze kunst is de vroeg-christelijke de enig ware. De uitleg aan de hand van Van der Meer, een eminentie op zijn gebied, is zonder meer meeslepend.