Parlement zal op regelmatiger overleg plannen aandringen; Wensen defensie zullen scherper worden getoetst

DEN HAAG, 8 JUNI. Kleiner en efficienter. Zo moet de Nederlandse krijgsmacht er uit zien. Nog voordat de NAVO een nieuwe strategie heeft vastgesteld presenteert minister Ter Beek zijn plannen begin maart in de Defensienota. Bezuinigingen, maar minder radicaal dan in de buurlanden. In vijf jaar zestien procent minder personeel. En een nieuwe luchtmobiele brigade die, zo daar politieke wil toe bestaat, overal inzetbaar is.

Maandag wordt de nota in de Tweede Kamer behandeld. Ter Beek beantwoordde al 527 vragen schriftelijk, mondeling zal hem gevraagd worden of het parlement met grotere regelmaat de gevolgen van een zich snel veranderende veiligheidssituatie en van nieuwe ontwapeningsakkoorden met hem kan doornemen. De plannen die nu zijn gemaakt voor een periode van vijf jaar kunnen dan beter worden aangepast. Het parlement houdt zo meer greep op prioriteitstelling en de moeilijk doorzichtige herstructurering van de krijgsmacht. Bij marine en luchtmacht wordt in de Defensienota opnieuw de kaasschaaf gehanteerd maar alle taken blijven gehandhaafd. Bij de landmacht worden meer onderdelen mobilisabel, staven en onderdelen worden ingekrompen.

Een groot aantal fracties in de Tweede Kamer vraagt zich af of de nota wel voldoende financieel onderbouwd is. De landmacht krijgt een snel inzetbare mobiele brigade. De kosten daarvoor kunnen oplopen tot zes miljard gulden. Eerst worden helikopters gehuurd maar daarna zal Nederland ze zelf aanschaffen. Kan Defensie bij verdere bezuinigingen die ambitieuze opzet wel fianancieren? Waarom worden de mogelijkheden om met andere landen van de NAVO samen te werken op het terrein van materieelaanschaf en -gebruik niet verder uitgewerkt?

Kortom, kleiner kan lukken, maar uitzicht op een efficientere krijgsmacht is er nog niet. Minister Ter Beek zegt dat hij taakspecialisatie wel wil onderzoeken maar, zo laat hij er wars van NAVO-jargon op volgen, 'it takes two to tango'. Hij is er niet gerust op dat met name de grote NAVO-landen bereid zijn meer samen te werken.

Ter Beek vergeet dat bij de recente humanitaire actie in Noord-Irak voor de opvang van Koerdische vluchtelingen de Britten snel bereid waren aan het Nederlandse contingent grote transporthelikopters ter beschikking te stellen. In het verleden heeft Nederland luchtvrachtcapaciteit gekregen van de Belgische luchtmacht, ook bij de Golf-oorlog. De Belgen beschikken over grote transportvliegtuigen. In tijd van crisis kan de regering een beroep doen op de vloot van de luchtvaartmaatschappijen KLM en Martinair en deze zelfs vorderen.

Op de vliegbasis Twente presenteert de luchtmacht vandaag bij een massale show ook grote vliegende tankers (omgebouwde DC-10 toestellen). In de toekomst wil de luchtmacht daarover zelf kunnen beschikken om de 162 F16 toestellen in de lucht te kunnen voorzien van brandstof. Nu de dreiging afneemt zijn die tankers plotseling nodig terwijl Nederland in het verleden gebruik kon maken van Amerikaanse vliegende tankers.

Al bij de voorbereidingen voor de behandeling van de Defensienota waarschuwde de Adviesraad Vrede Veiligheid: “Wil men bij verdergaande bezuinigingen de beoogde kwaliteit van ons verdedigingsapparaat handhaven en bovendien nog ten behoeve van een luchtmobiele brigade forse investeringen doen, dan moet worden betwijfeld of aan alle taken van de krijgsmacht kan worden vastgehouden.”

Een aantal defensiespecialisten in de Tweede Kamer deelt die mening. Ter Beek zal niet kunnen vasthouden aan een integrale krijgsmacht bestaande uit drie op zichzelf staande volwaardige delen. Krachtiger dan voorheen zal hij zelf met een grotere politieke besluitvaardigheid te werk moeten gaan en de wensen van de bevelhebbers beter tegen het licht moeten houden, zo menen zij. Maar in de Defensienota wordt de verantwoordelijkheid binnen de toekomstige topstructuur van het ministerie bij de bevelhebbers van de afzonderlijke krijgsmachtonderdelen gelegd. Zij moeten waken over 'kwaliteit, tijdigheid en kosten van hun produkt'. Dat staat een grotere coordinatie en prioriteitstelling in de weg.

De minister maakt het zich niet gemakkelijk door taken te delegeren. De vraag is dan of plannen kunnen worden gestuurd en correcties tijdig kunnen worden aangebracht. Vroeger waren daarvoor maar liefst drie staatssecretarissen in de weer die als zij dat wilden tijdig konden ingrijpen. Nu beschikt Ter Beek slechts over een staatssecretaris die anders dan zijn voorganger Van Houwelingen minder bevoegdheden heeft (alleen materieel en milieu) en zich nauwelijks politiek wil roeren.

In de Internationale Spectator waarschuwt defensiespecialist J.W. Honig - en hij staat daarin niet alleen - dat bij deze zevende reorganisatie op Defensie sinds de oorlog het gevaar bestaat dat de minister opnieuw voor voldongen feiten wordt geplaatst. “De relatief grote strijdkrachten en het brede takenpakket dat zij verwierven in de jaren '50 en wisten te moderniseren in de jaren '70 is in belangrijke mate het gevolg van hun onafhankelijkheid in die perioden. Slechts weinig hiervan heeft publiekelijk de aandacht getrokken. Zeldzame uitzonderingen vormen de helmenaffaire ('50) en de Walrusaffaire ('80).” Over de helmen ontstond destijds een kleine affaire omdat ze onvoldoende bescherming gaven, bij de Walrus-onderzeeboten werd stilletjes honderden miljoenen te veel uitgegeven.

Honig komt tot de conclusie dat zich voor de derde keer zo'n situatie kan voordoen nu meer verantwoordelijkheden naar de drie bevelhebbers worden geschoven. De verdeelsleutel van gelden (dit jaar veertien miljard) van 1 tot 2 tot 1 voor marine, landmacht en luchtmacht, die in de Defensienota met enige nuance gehandhaafd blijft, heeft volgens hem wel het voordeel dat er minder geruzie is over de verdeling van de begrotingsgelden maar als nadeel dat de minister minder fundamentele keuzes kan maken. Het is volgens Honig goed denkbaar dat de minister van defensie over zo'n tien jaar met instemming zijn voorganger Koster citeert, die in 1972 schreef dat een goed afgewogen defensiebeleid meer is dan een optelsom van het beleid der afzonderlijke krijgsmachtonderdelen.

Koster klaagde toen dat hij niet kon beschikken over een centraal apparaat dat hem onafhankelijk - dus niet gezien vanuit het gezichtspunt van een krijgsmachtdeel - adviseerde.

En in die tijd was Defensie nog niet de 'begrotingsgraaibak' waarover Ter Beek nu zegt te willen waken, ondanks de hevige aandrang binnen zijn eigen partij meer bezuinigingen toe te laten.