OPERATIE JULIANA OPERATIE JULIANA Deel 2: hoe de koninklijke smokkelwaar in Nederland tot verwarring leidde

Korte inhoud van het voorafgaande: In augustus 1946 haalde de Nederlandse reserve-officier mr. J. Coert jr. het huzarenstukje uit een enorme voorraad Nederlandse aandelen en obligaties ter waarde van ruim zeventien miljoen gulden (toen tien keer zoveel waard als nu) die door de Duitsers was geroofd, uit de Russische sector van Berlijn naar Nederland te smokkelen. Daarbij was ook een aanzienlijk deel van het effectenbezit van koningin Wilhelmina, dat zij bij haar vertrek naar Engeland in mei 1940 had moeten achterlaten. De koninklijke waardepapieren waren tijdens de oorlog door de Duitsers opgeslagen in de kluis van de Rotterdamse Bank voor Handel en Scheepvaart (BHS), die onder rechtstreeks Duits toezicht stond. Van daar waren ze samen met de andere aandelenpakketten naar het hoofdkantoor van de August Thyssen Bank in Berlijn overgebracht. Deze bank was net als de BHS een onderdeel van het Thyssen-concern. Na de bevrijding vroeg de in Zwitserland wonende concerneigenaar Heinrich Thyssen-Bornemisza, daartoe vanuit hoogste kringen in Nederland aangespoord, zijn Nederlandse advocaat mr. J. Coert sr. of deze er niet voor kon zorgen dat de effecten naar Nederland terugkwamen. Coert sr. had daarvoor zijn zoon ingeschakeld, die de Nederlandse economische belangen in de Britse bezettingszone van Duitsland behartigde. Met de hulp van een Duitse bankdirecteur wist Coert jr. het effectenbezit onder de ogen van de Russische schildwacht uit het vernielde bankgebouw te bemachtigen, en, in strijd met de Geallieerde verordeningen, naar Rotterdam te transporteren.

Terwijl het transport nog onderweg was, belde Coert sr. een van de door de Nederlandse overheid aangestelde beheerders van de Bank voor Handel en Scheepvaart, mr. W. Suermondt, op, en vroeg hem of de pakken aandelen weer in de kluis van de Bank voor Handel en Scheepvaart konden worden opgeborgen. Coert kon weten dat deze boodschap niet met gejuich zou worden ontvangen. Hij en zijn zoon hadden op 12 augustus 1946 - de operatie moest toen nog worden uitgevoerd - de beheerders van de BHS voorzichtig gepolst over hun houding jegens een eventuele 'evacuatie' van de Nederlandse aandelen uit de Russische sector van Berlijn. Daarbij waren ze niet op enthousiasme gestuit.

Het staatstoezicht op de BHS, voorgeschreven zolang niet duidelijk was welke nationaliteit BHS-eigenaar Heinrich Thyssen-Bornemisza de Kaszon eigenlijk had (Duits of Hongaars), was opgedragen aan een driemanschap. Naast de al genoemde advocaat Suermondt waren dat een voormalig directeur van de BHS, H.J. Kouwenhoven, en een andere voormalige topman van het Thyssen-concern, J.G. Groeninger. De beide laatsten waren al sinds het begin van de jaren twintig bij de activiteiten van Thyssen in Nederland betrokken. Degelijke, fatsoenlijke 'kooplieden' (zoals ze zich blijkens de jaarverslagen van de bank noemden) waren het, wars van avonturen en riskante ondernemingen. Ze hadden de bank en de andere Thyssen-ondernemingen in Nederland behoedzaam door de crisisjaren geloodst. Beiden ook hadden in de oorlog getoond het hart op de goede plaats te hebben. Kouwenhoven was als BHS-directeur in 1942 ontslagen omdat hij zich had geweerd tegen het overbrengen van de effecten naar Duitsland (zie de vorige aflevering); uit protest tegen dat ontslag was Groeninger eigener beweging opgestapt. Vandaar dat het Nederlandsch Beheers Instituut hen na de bevrijding als toezichthouder naar de BHS had afgevaardigd.

Daar hadden ze het moeilijk. Bij de bank werden ze gezien als 'deloyaal' omdat ze niet zozeer de belangen van het bedrijf als die van de Nederlandse overheid op het oog zouden hebben.

Uit de gebeurtenissen die volgden, zou blijken dat ze hun taak als overheidscurator inderdaad au serieux namen, maar deze taakopvatting verhinderde niet dat Kouwenhoven en Groeninger zich nog steeds zeer met de bank verbonden voelden. ''Ik behoef niet te zeggen hoezeer ik begeerd heb deze dag te mogen beleven,'' zei Kouwenhoven in de toespraak bij zijn aantreden als beheerder. ''Circa dertig jaren ben ik verbonden geweest aan de ondernemingen waarin gij werkt, en de levenstaak die ik daarin te vervullen had gekregen, had de liefde van mijn hart.

Vandaag smaak ik de grote voldoening in uw kring te zijn weergekeerd.''

Kouwenhoven en Groeninger, en trouwens ook Suermondt, hadden zich tot taak gesteld de Bank voor Handel en Scheepvaart na de ook in financieel-economisch opzicht verwoestende oorlogsjaren geleidelijk weer in rustiger vaarwater te brengen. Als daartoe een middel niet in hun aard lag, waren het wel experimenten en huzarenstukjes. Daarom hadden de drie verbijsterd en verontwaardigd gereageerd toen vader en zoon Coert het ballonnetje van de effectensmokkel hadden opgelaten.

'Wild-West-stories', zo had Kouwenhoven de plannen van de beide Coerts betiteld, en hij had met klem gewaarschuwd voor dergelijke acties, die ''zijns inziens voeren moesten tot een ernstig conflict met Rusland''. En ineens werden hij en zijn medebeheerders nog geen week later voor een voldongen feit geplaatst!

Na Coerts telefoontje dat de effecten onderweg naar Nederland waren, overlegde het trio snel telefonisch met elkaar en met het rayonkantoor van het Nederlandsch Beheers Instituut in Rotterdam. Het resultaat daarvan was dat de beheerders weigerden de zending in ontvangst te nemen zolang ze 'Den Haag' niet hadden geraadpleegd wegens ''de groote belangen en consequenties, die aan deze zaak voor den Nederlandschen Staat verbonden zijn'', aldus hun latere weergave van de gebeurtenissen. Toen Coert jr. zondag 25 augustus Suermondt belde om te zeggen dat de zending in Nederland was aangekomen, kreeg hij te horen dat de kluis van de BHS gesloten bleef.

Coert jr. kon nog zo hameren op de risico's die hij voor deze stunt had gelopen, Suermondt bleef erbij dat eerst de Nederlandse regering zich moest afvragen of ze deze smokkel een aanvaring met de Sovjet-Unie waard vond. ''Beschouwt zij Rusland als een land waarmede toch geen normale betrekkingen mogelijk zijn, dat er zelf rare [sic] methoden op nahoudt en waarmede men het dus ook zo nauw niet hoeft te nemen?'' Of was de Sovjet-Unie in Haagse ogen een machtig land, dat beter niet kon worden geprovoceerd? Coert jr. gaf het op en gooide woedend de hoorn op de haak. Tot nader order werden de pakken aandelen thuis bij Coert sr. aan de Kralingse Essenlaan opgeslagen.

Een paar uur later kreeg Suermondt opnieuw een telefoontje, nu van mr. H. Stenfert Kroese, die een vooraanstaande positie bekleedde bij het rayonkantoor Rotterdam van het Nederlandsch Beheers Instituut. Coert sr. had hem benaderd en hem ertoe kunnen overreden mee te werken aan een oplossing. Kennelijk had Coert sr. tegenover hem iets laten doorschemeren van de grote belangen die op het spel stonden. Stenfert Kroese verordonneerde tenminste namens het Beheers Instituut dat de aandelen uit Berlijn op naam van Coert sr. bij de BHS konden worden gedeponeerd. Hij drukte Suermondt op het hart over de hele affaire te zwijgen en ''volkomen te vergeten dat deze geschiedenis zich heeft voorgedaan''. Suermondt en de beide anderen accepteerden deze 'oplossing' echter niet en eisten onmiddellijk een gesprek met Stenfert Kroese.

Dat gesprek had al meteen de volgende dag, 26 augustus, plaats. Stenfert Kroese was er kennelijk doodsbenauwd voor dat de smokkel zou uitlekken. Hij drong er bij de anderen opnieuw op aan ''stricte geheimhouding te bewaren over wat er in de laatste dagen is gebeurd met de bij de August Thyssen Bank, Berlijn, gedeponeerde 'aandeelen der Bank' ''. Het Beheers Instituut zelf zou de verantwoordelijkheid voor de aandelen op zich nemen zodat de drie beheerders van de BHS een rein geweten konden houden. Maar daarvan wilden Suermondt, Kouwenhoven en Groeninger niet horen. Ze wilden een gesprek met minister-president dr. L.J.M. Beel en met de betrokken ministers, namelijk dr. G.W.M. Huysmans van Economische Zaken, dr. P. Lieftinck van Financien en mr. C.G.W.H. baron van Boetzelaer en Oosterhout van Buitenlandse Zaken. Stenfert Kroese ging daarmee akkoord. Al een dag later zat het gezelschap op het hoofdkantoor van het Nederlandsch Beheers Instituut in Den Haag met op de agenda het plan een gezamenlijke audientie bij Beel aan te vragen over de kwestie.

Weer twee dagen later, op 29 augustus 1946 vroegen de drie BHS-beheerders het Beheers Instituut schriftelijk zo snel mogelijk te laten weten wanneer ze op een onderhoud met Beel konden rekenen.

Blijkbaar zag het Beheers Instituut veel minder reden tot haast dan Kouwenhoven, Groeninger en Suermondt, want er ging helemaal geen verzoek om een gesprek met de minister-president de deur uit. Dat bleek op 13 september, toen het trio in Den Haag ging informeren waarom geen datum voor een afspraak was doorgegeven. Het was er niet van gekomen omdat het Beheers Instituut ''van geheimhouding der feiten heil verwachtte'', zoals Groeninger en Kouwenhoven (Suermondt had het hoofd in de schoot gelegd) enkele weken later aan minister Huysmans schreven. De twee beheerders waren woedend geworden, en hadden aangekondigd zelf wel een gesprek met Beel of in elk geval met een van de betrokken minsters te zullen regelen.

Op 10 oktober 1946 hadden de beide heren een kort gesprek met minister Huysmans waarin ze hem iets van de zaak vertelden.

Huysmans had blijkbaar weinig tijd, want hij vroeg hun een expose over de kwestie op schrift te stellen. Nog diezelfde dag componeerden Kouwenhoven en Groeninger een lang memorandum voor Huysmans. Daarin waarschuwden zij: ''Het wegvoeren uit de Russische bezettingszone van waarden, waarvan in laatste instantie een Hongaarsch, waarschijnlijk nog door Rusland als vijand aangemerkt onderdaan [baron Heinrich Thyssen-Bornemisza], zich als eigenaar beschouwt, blijft evenals het verleenen van hulpdiensten bij het in bewaring nemen daarvan, tegenover een staat waarmede wij niet op voet van oorlog verkeeren, uiterst onverantwoord.''

Het begon tot Huysmans door te dringen dat er mogelijk iets was gebeurd dat voor Nederland onaangename consequenties kon hebben, al begreep hij het fijne er nog niet van, en wist hij niet wat hij ermee aan moest. Hij bracht Beel van de effectensmokkel op de hoogte, evenals zijn ambtgenoot van Financien, Lieftinck, en die van Justitie, mr. J.H. van Maarseveen, met de vraag erbij wie voor de affaire competent was. Het was Lieftinck die als eerste handelde. Op 7 november 1946 verzocht hij het hoofd van de Douanerecherchedienst een onderzoek naar de smokkelzaak in te stellen en ''zoo nodig de betrokken effecten in beslag te doen nemen''.

Zou Lieftinck deze opdracht ook hebben gegeven als hij had geweten dat zich onder de 'betrokken effecten' een aanzienlijk deel van het vermogen van de Oranjes bevond? Dat lijkt uiterst onwaarschijnlijk, gezien het feit dat de minister razendsnel bakzeil haalde nadat enige hooggeplaatsten hem de consequenties van zijn voornemen onder het oog hadden gebracht. Nog dezelfde dag belde de thesaurier-generaal van Financien zijn minister op om hem te vertellen dat Coert sr.

bij het horen van de mogelijke inbeslagneming hevig ontdaan was geraakt: ''De heer Coert zeide mij dat een dergelijke inbeslagneming niet alleen voor de Bank voor Handel en Scheepvaart groote ongelukken zou meebrengen, maar ook voor Nederland aanmerkelijke schade zou meebrengen.''

Coert sr. wilde onmiddellijk een gesprek met Lieftinck. Ook de buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister aan de Nederlandse ambassade in Londen, baron A. Bentinck van Schoonheeten, die met een dochter van Heinrich Thyssen was getrouwd, protesteerde bij Lieftinck, evenals - nog belangrijker - mr. dr. H. Albarda, directeur van de Nederlandse Handel Maatschappij, waarvan de koningin grootaandeelhoudster was en waar haar effecten tot het Duitse ingrijpen in depot waren geweest (Coert sr. had de bij hem thuis liggende papieren inmiddels bij de Handel Maatschappij in bewaring mogen geven).

Er kwam inderdaad geen onderzoek; uit kwaadheid daarover namen Kouwenhoven en Groeninger nog diezelfde novembermaand ontslag als beheerder bij de Bank voor Handel en Scheepvaart.

Lieftinck schreef het Nederlandsch Beheers Instituut meteen dat de twee vertrekkende bestuurders moesten worden opgevolgd door lieden die het volle vertrouwen van de aandeelhouders van de BHS (waaronder inmiddels de Nederlandsche Handel Maatschappij) genoten; een opmerkelijke instructie als men bedenkt dat de beheerders in de eerste plaats moesten waken over de belangen van de Nederlandse staat en niet over die van de aandeelhouders.

Enkele maanden daarna, in maart 1947, kwam prins Bernhard inzake het beheer van de BHS met een voorstel. Het beheer door het Nederlandsch Beheers Instituut moest worden opgeheven, schreef hij Lieftinck, en in plaats daarvan moest er een raad van commissarissen komen. In die raad moesten behalve Coert sr. ook zitting krijgen de al genoemde diplomaat Bentinck en de oud-burgemeester van Den Haag, S.J.R. de Monchy en de oud-minister van Marine, J.M. de Booy. De Monchy en De Booy waren beiden een vertrouweling van Bernhards schoonmoeder.

Verder wees de prins erop dat alle directeuren van de BHS Nederlander moesten zijn, dit om het Nederlandse karakter van de bank te benadrukken.

Niet bekend

Desondanks ondernam Londen noch Washington iets tegen Den Haag. Misschien heeft respect voor de Nederlandse koningin daarin een rol gespeeld, maar dan in elk geval geen belangrijke rol. Weliswaar waren de Britten en de Amerikanen blijkens hun rapporten ervan op de hoogte dat kapitaal van Wilhelmina deel uitmaakte van de 'transactie', het was hun tevens duidelijk dat met de onderneming als geheel veel grotere belangen waren gemoeid. Een overweging die bij het Foreign Office meer gewicht in de schaal wierp, was de zekerheid dat een officieel protest van de Britse regering bij de Nederlandse ambassadeur de Russen zou alarmeren. Rond die tijd was de vriendschap tussen de Sovjets en de andere Geallieerden al zo bekoeld dat het Westen er extra op bedacht was de Sovjets geen munitie voor het uitvechten van diplomatieke conflicten te leveren. Londen liet de Control Commission in Berlijn weten dat de Westerse Geallieerden formeel geen bemoeienis met de smokkelaffaire hadden omdat de effecten uit de Russische sector van Berlijn waren ontvreemd.

Wel werd het hoofd van de Nederlandse Militaire Missie in Berlijn, kolonel A. van Lennep, in maart 1947 bij de Britten op het matje geroepen om informeel te horen te krijgen dat een formeel protest bij de Nederlandse regering nog steeds tot de mogelijkheden behoorde. Van Lennep veinsde van de 'transactie'

van Coert jr. niets af te weten; hij wilde Coert eventueel wel naar Berlijn ontbieden om de Engelsen uitleg te geven. Van dit aanbod hebben de Britten evenwel geen gebruik gemaakt, of ze hebben er in elk geval geen druk achter gezet, want Coert jr.

heeft volgens zijn weduwe en zijn zoon nimmer in Berlijn verantwoording hoeven af te leggen. Dankzij de Koude Oorlog verdween de zaak in de doofpot. Medio 1947 gaf de Nederlandse overheid formeel een importvergunning voor de binnengesmokkelde effecten, en daarmee was de transactie legaal geworden.

Een aspect moest nu wel dringend worden geregeld om definitief een punt achter de hele affaire te kunnen zetten, en dat was de kwestie van de nationaliteit van de voornaamste aandeelhouder van de BHS. Als duidelijk was dat de Bank voor Handel en Scheepvaart Nederlands bezit was, verviel immers de beschuldiging dat Nederlandse overheidsdienaren Duitse belangen hadden gediend. Bij het oplossen van dit probleem nam baron Bentinck het voortouw. De discussie had zich tot dan toe steeds toegespitst op de vraag van welk land Heinrich Thyssen nu eigenlijk werkelijk onderdaan was, maar Bentinck voerde tegenover Buitenlandse Zaken aan dat zijn schoonvader 'geestelijk niet geheel normaal meer' was, en daarmee niet meer als stuwende kracht achter het Thyssen-concern kon gelden. In plaats daarvan schoof Bentinck zijn oudste zwager, baron Stephan Thyssen, naar voren. Volgens Bentinck was Stephan statenloos en daardoor geen Duitser. Een probleem was echter dat hij gedurende de hele oorlog in Duitsland had gewoond, een bijkomstigheid die enige twijfel aan zijn status als statenloze opriep.

Kapitein-luitenant ter zee J.H. Zeeman van de Nederlandse Militaire Missie kreeg in de zomer van 1948 de opdracht de nationaliteit van Stephan Thyssen uit te pluizen, maar nadat Zeeman in oktober van dat jaar de vraag had opgeworpen ''of door een behandeling van de onderwerpelijke zaak niet het gevaar zou kunnen ontstaan dat bepaalde Nederlandsche belangen, te weten die van de Bank voor Handel en Scheepvaart, worden geschaad'', kreeg hij uit Den Haag het consigne met het onderzoek te stoppen. Formeel werd niet meer betwist dat Stephan Thyssen statenloos was, en de jonge Thyssen beloofde ervoor te zorgen dat de BHS in 'Nederlandsche geest' zou worden geleid. Er kwam een raad van commissarissen waarin de door Bernhard genoemde kandidaat De Monchy zitting kreeg, evenals Bernhards vertrouweling jonkheer mr. P. Six. Het belang van de Handel Maatschappij in de BHS werd bewaakt door Albarda.

Ook een andere door Bernhard genoemde kandidaat voor een BHS-commissariaat, Coert sr., kreeg in 1947 zitting in de raad, en hij bleef commissaris tot 1956, toen hij wegens zijn gevorderde leeftijd aftrad. Kolonel Swart, die zoveel nuttige hand-en-spandiensten voor 'Operatie Juliana' had verleend, werd directeur van de florerende Bank voor Handel en Scheepvaart, die midden jaren vijftig een gloednieuw pand aan de Rotterdamse Coolsingel betrok. Swart ging met pensioen in 1968, kort voordat de BHS fuseerde met de Nederlandsche Crediet Bank, eveneens een onderdeel van het Thyssen-concern.

Hij stierf enige jaren geleden. Coert jr., die in 1947 weer in de Rotterdamse advocatuur was teruggekeerd, overleed in 1971.

Kouwenhoven stierf in 1948 in New York, een jaar na zijn vroegere opperste baas Heinrich Thyssen.

En het kapitaal van de Oranjes? Eens per jaar, nu al decennia lang, wordt de koningin van Nederland door het ene of het andere Amerikaanse tijdschrift tot rijkste vrouw van de wereld uitgeroepen, wat dan weer door de Rijksvoorlichtingsdienst wordt ontkend.(IS) (VD) (QR) Deze serie van twee artikelen is gebaseerd op - naast de in de tekst genoemde boeken en gesprekken met nabestaanden van betrokkenen - de volgende overheidsarchieven. Algemeen Rijksarchief, Den Haag: notulen van de ministerraad; archief van de Nederlandse Militaire Missie, sectie IV; archief van het Nederlandsch Beheers Instituut. Ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag: departementsarchief, code 313.22, Geheim Archief; archief van de Nederlandse Militaire Missie te Berlijn; archief ambassade Bonn, 1945-1949; archief ambassade Londen, 1945-1949. Ministerie van Financien, Den Haag: archief van de generale thesaurie; archief van de directie Bewindvoering. National Archives, Washington DC: Record Group 59, General Records of the Department of State; Record Group 226, Records of the Office of Strategic Studies.

Washington National Records Center, Suitland, Maryland: Record Group 331, SHAEF Counter Intelligence G-2 Records. Public Record Office, Londen: FO 371, archief van het Foreign Office; FO 944, archief British Control Commission in Germany; FO 1000, archief British Control Group in Germany.