'Milieumisdaad zal komende jaren nog verder toenemen'

DEN HAAG, 8 JUNI. “De milieucriminaliteit - het willens en weten langs illegale weg vervuilen van het milieu - zal de komende jaren, naar ik vrees, eerder toenemen dan verminderen.” Die sombere voorspelling is van mr. Y. A. van der Meer, hoofd sectie milieucriminaliteit van de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) in Den Haag. Zij doet haar uitspraak naar aanleiding van de jongste verwikkelingen in de gifaffaire te Alphen aan den Rijn.

Voor Van der Meer staat als een paal boven water dat clandestiene praktijken op milieugebied, in het bijzonder geknoei met chemisch afval, vaker voorkomen naarmate er meer geld mee te verdienen is. “En er s meer mee te verdienen”, legt ze uit, “omdat in Nederland de verwerkingscapaciteit van afval afneemt, waardoor de prijzen omhoog gaan.” Ze houdt bovendien haar hart vast voor het openen van de binnengrenzen in de EG, met ingang van januari 1993, wat de illegale trek van afval naar het buitenland slechts kan bevorderen. “Ook zie je nog steeds dat figuren uit traditionele criminele sferen in het milieu duiken.”

Recente veroordelingen van afvaldelinquenten - transporteur Kemp bijvoorbeeld kreeg vierenhalf jaar cel wegens onwettige stortingen in onder meer Alphen - kunnen een afschrikkende werking hebben. Van der Meer bevestigt dat: “Sommigen die illegaal bezig zijn of willen zijn, worden door zulke veroordelingen in het legale circuit geduwd. Toen het strafrechtelijk onderzoek tegen Zegwaard in Delft begon, hoorde je: als ze Zegwaard pakken, hoef ik er niet aan te beginnen.” Maar tegelijk signaleert ze een ander, averechts gevolg: “Er zijn ook bedrijven die de organisatie van hun clandestiene praktijken verbeteren en wel zodanig dat de kans om gepakt te worden, vermindert.”

Daar komt volgens haar bij dat diverse firma's zowel een boven- als ondergrondse afdeling kennen. “De bovengrondse sector, dus het legale deel, ziet er fraai uit met een mooi kantoor, een dito secretaresse en dure auto's. Dat is de faade waarachter het illegale werk zich afspeelt. Met dat laatste, de onderwereld zal ik maar zeggen, wordt ook het geld verdiend en dat kunnen ze dan mooi witwassen in het legale gedeelte.”

Van der Meer, afkomstig van de Haagse gemeentepolitie, werkt sinds een half jaar bij de CRI als hoofd van een afdeling die op het ogenblik negen man telt; het moeten er weldra vijftien worden. Voordien was ze geruime tijd coordinator milieudelicten bij het ministerie van VROM. In haar huidige functie richt ze zich in het bijzonder op bovenregionale, nationale en internationale milieucriminaliteit, die men via zogenoemde misdaadanalyses in kaart probeert te brengen.

Samen met de rijksrecherche gaat haar afdeling orienterend onderzoek doen naar de rol die bestuurlijke overheden - gemeente en provincie - bij de milieudelicten in Alphen hebben gespeeld. Ze werd daarover afgelopen woensdag ingelicht door de advocaat-generaal bij het Haagse gerechtshof, mr. J.

Couzijn. “Maar over de details van dat onderzoek is me nog niets bekend”, aldus Van der Meer, die een dergelijke bijdrage van de CRI op milieugebied als 'nieuw' bestempelt.

Waar de rol van de verschillende overheden in beeld komt, spreekt ze van een 'gecompliceerd terrein'. Van der Meer: “Het is heel anders dan met zoiets als drugs. Daar heb je aan de ene kant de goeie jongens, de politie, en aan de andere kant de kwaaie jongens, de dealers. Maar bij milieucriminaliteit bevindt zich tussen de 'good guys' en de 'bad guys' de overheid, die vergunningen afgeeft en controle uitoefent. Als politie moet je je informatie uit dat bestuurlijke circuit halen en dat is een bijzonder lastige opgave. Om bij de kwaaie jongens te komen, moet je eerst door de kolom van de overheid heen en in die kolom kan, zoals we weten, van alles goed maar ook mis gaan.”

Ze geeft een reeks voorbeelden, oplopend van onwetendheid via naviteit naar het dichtknijpen van ogen, met als laatste en ernstigste gradatie: omkoping.

Van der Meer: “Bestuurders laten zich nog al te gemakkelijk inkapselen door snelle jongens, die aan hun bureau komen en beweren een oplossing te hebben voor een bepaald afvalprobleem, maar in feite illegaal werken. De ellende is dat milieucriminelen niet zijn te herkennen, ze dragen geen stempel op hun hoofd. Bovendien laat men zich makkelijk misleiden door zo'n fraaie faade, waarachter de clandestiene afdeling schuil gaat. Daarom zou ik willen dat bestuurders meer wantrouwen aan de dag leggen. Ze zouden iets meer een politieblik op de zaak moeten hebben.”

Naarmate een afvalprobleem zich moeilijker laat oplossen, pleegt de neiging om met dubieuze figuren in zee te gaan toe te nemen, is haar stellige overtuiging: “Hoe nijpender de toestand, hoe makkelijker men gelooft dat het goed zit. Men wil het zo graag geloven. De eerste ondernemer die in zo'n geval met een creatieve, niet te dure oplossing komt, wordt als een held binnengehaald. Hier speelt trouwens ook het NIMBY-syndroom: 'Not In My Backyard'. Niemand wil een afvalberg of vuilverbranding in zijn achtertuin. Maar als niemand het wil, wordt er wel een markt voor milieucriminelen geschapen.”

Onkunde, naviteit, maar ook omkoping. Op welke schaal laten bestuurders en ambtenaren zich steekpenningen toedienen om een oogje dicht te knijpen? Van der Meer: “Het komt voor, maar het zijn incidenten. Nee, voorbeelden met naam en toenaam kan en mag ik niet geven. Maar wat telt, zijn natuurlijk de gevolgen. Elk bestuurlijk falen, van onwetendheid tot het plegen van strafbare feiten, kan fataal uitpakken voor het milieu.”

Iemand die kort geleden ook de term 'omkoping' met betreking tot wethouders en ambtenaren liet vallen, was commissaris D.

van Dop, korpschef van de gemeentepolitie in Roosendaal, voorheen hoofd van het Milieubijstandsteam van VROM. Tegelijk oefende hij kritiek op de zijns inziens tanende belangstelling van het ministerie voor zware milieucriminaliteit.

Dat werd door het departement ontkend, maar Van der Meer stelt inmiddels vast: “Wat Van Dop zei, heeft effect gehad. Ze hebben zich op het ministerie zijn woorden aangetrokken en het Milieubijstandsteam meer prioriteit gegeven. Wij op de CRI zijn in elk geval blij met die koerswijziging, omdat we nauw met het Milieubijstandsteam moeten samenwerken.”