Memoires (12)

De rest van het verhaal is bekend: mijn revolutie werd een fiasco.

Ik had me vergist in de bereidwilligheid van mijn landgenoten voor een keer alles op het spel te zetten, ik had me vergist in mijn partijgenoten, die de voorkeur gaven aan respectabiliteit boven een onzeker avontuur, maar vooral had ik me vergist in Troelstra zelf. Achteraf kan ik nog altijd niet begrijpen hoe ik in deze brave democraat een revolutionair had kunnen zien. Hij en revolutie , die twee verhielden zich tot elkaar als een geheelonthouder en een fles champagne.

Op die vergadering in Rotterdam wilde ik een man zien die boven zichzelf uitsteeg; wat ik zag was een man die zichzelf tijdelijk kwijt was geraakt. Ik negeerde dat, ik wilde de revolutie met heel mijn hart, en dus goot ik behendig olie op het vuur door een van de afgevaardigden te laten verklaren dat de arbeiders rijp waren voor de opstand (die grap kostte me 10 gulden).

Die verstandsverbijstering van onze leider duurde overigens niet lang, want wat deed Troelstra? Troelstra ging voor zijn revolutie toestemming vragen aan het parlement. Ik zat thuis in Amsterdam aan een haastig ontbijt toen ik gebeld werd door een van de fractiemedewerkers. Ik kon het niet geloven toen ik het hoorde: die dinsdag zou Troelstra zijn bedoelingen duidelijk maken in de Tweede Kamer. Op dat moment wist ik diep in mijn hart al dat de hele onderneming tot mislukken gedoemd was, maar ik wilde het niet weten; kennis is aan een gelovige niet besteed. Ik besloot alles op alles te zetten en trok opnieuw mijn portemonnee: een redacteur van het Volk werd door mij genstrueerd Troelstra, vlak voordat hij in de Kamer het revolutionaire woord sprak, valse cijfers toe te fluisteren over de politiemannen en militairen die onze kant gekozen zouden hebben. Alle beetjes helpen, dacht ik.

De man deed zijn werk en Troelstra hield - ik moet het toegeven - een prachtige rede in de Kamer. Ik hoorde toe temidden van belangstellenden in de overvolle galerij, maar hoewel zijn woorden mij als een prachtige revolutionaire symfonie in de oren klonken, wist ik dat het om een verloren zaak ging. Door zo gloedvol de revolutie uit te roepen, nam Troelstra tegelijk afscheid van de daad zelf. Toch raakte ieder woord me tot in het diepst van mijn ziel: “...al zou het ons leven moeten gelden, we zullen het gaarne en jubelend geven ter voldoening aan de eisen van het historische ogenblik.” Ik huilde, dat beken ik zonder schaamte, ik wilde zo graag geloven in dat historische ogenblik van hem, ook ik wilde de geschiedenis naar mijn hand zetten, maar hetzelfde moment besefte ik dat het een zwanenzang was. Die toespraak was zijn revolutie, zijn vergeefse poging te ontsnappen aan de dodelijke monotonie van een Hollands bestaan.

Toen hij uitgesproken was, barstte het gejoel los. Ik wreef de tranen uit mijn ogen en mijn blik viel op het gezicht van Ruys de Beerenbrouck, de minister-president. Wat ik in die vrome gelaatsuitdrukking zag, bevestigde mijn ergste vermoedens: de man wist dat hij zou winnen. Een paar uur daarvoor had hij Troelstra's woorden bij voorbaat afgezwakt door er daden tegenover te stellen: deze politicus beloofde snel het broodrantsoen te verhogen. “Voor de eisen van de nieuwe tijd mag niemand ongevoelig zijn.”

Kan het cynischer? Maar voor een volk zonder verbeeldingskracht is het woord geen wettig betaalmiddel. Een revolutionaire rede zoals die van Troelstra beschouwen zij uiteindelijk als niets anders dan een theatervoorstelling, een oefening in spreekvaardigheid. Dat begreep Ruys. Des te hoger de vlucht van Troelstra's verbeelding, des te kleiner de kans op een werkelijke revolutie.

Ik was een gebroken man. Het bouwwerk van mijn illusies stortte die middag als een kaartenhuis ineen. Ik ontvluchtte het Binnenhof en reed zo snel als ik kon naar huis. Onderweg vervloekte ik het fatsoen van Troelstra. Hoe gek moest je zijn om in het parlement te gaan vertellen dat je binnenkort een staatsgreep gaat plegen? Hij had een revolver moeten trekken en Wilhelmina een kogel door haar kop moeten jagen, dacht ik, terwijl ik zo hard als ik kon in het stuur kneep, dat was een revolutie geweest.

Mijn vrouw opende zelf de deur. Ze zei niets, maar ze knikte naar me, terwijl haar mond zich in een sarcastische grijns vormde. Het is begonnen, zei ik tegen haar. Ze haalde haar schouders op. Ze zag dat ik niet langer geloofde.

De volgende dag vertrok zij naar haar zuster in Apeldoorn. Er had toch een geslaagde revolutie plaatsgevonden; in mijn eigen huis. Mijn vrouw had besloten dat ze niet langer van me hield.

Ze verliet me zonder een woord, want er viel tussen ons ook niets meer te zeggen. En eerlijk gezegd drong haar vertrek nauwelijks tot mij door. Later, veel later, zou ik me pas mijn dubbele verraad bewust worden: zoals ik Troelstra die avond in Rotterdam had misleid voor de goede zaak, zo had ik onze liefde opgeofferd aan mijn ideaal.

Mijn straf kwam snel. Een kleine week later zag ik met eigen ogen dat Nederland helemaal geen revolutie verdiende. Op een herfstig Malieveld keek ik toe terwijl duizenden zelfgenoegzame Oranjeklanten de koningin en de kroonprinses in de kou stonden toe te juichen. Van te voren zorgvuldig genstrueerde militairen spanden 'spontaan' de paarden van de koninklijke koets uit en trokken hem met hun eigen hand voort: dat was beeldspraak die de mensen begrepen, dat was de Hollandse verbeeldingskracht. Ik zag de gezichten, ik hoorde de toespraken, ik keek naar de kleine prinses met haar vormeloze oude-vrouwenhoed en datzelfde moment besloot ik me terug te trekken uit de partij en ver weg te blijven van alles dat met politiek te maken had.

Ik besloot Troelstra persoonlijk op de hoogte te brengen van mijn besluit. Hij had zich ziek gemeld en verscheen pas dagen later weer in de Kamer. Ik schoot hem aan terwijl hij het Binnenhof overstak. Hij zag er nog altijd doodziek uit.

“Troelstra,” zie ik, van binnen weifelend of ik hem mijn verraad zou opbiechten. Hij keek naar me op. Ik wilde iets zeggen, maar de woorden bleven in mijn keel steken. Het was duidelijk dat hij me niet meer kende.