Levi Weemoedt: 'Het is altijd mis met schrijvers, je moet ze niet vertrouwen'

Levi Weemoedt (42, pseudoniem van Ies van Wijk) debuteerde in 1977 als dichter van ironische verzen. Later ontwikkelde hij zich als schrijver van humoristische verhalen en steeds wranger wordende novellen zoals 'De ziekte van Lodesteijn' en 'Acte van verlating'. De tv-kijkers kennen hem als de grote zwijger uit 'De taalmeesters'. Een interview over het leven achter het werk.

'Wat ik nog zeggen wou'', schreef Levi Weemoedt aan zijn moeder, ''ik zit de laatste tijd weer eens alleen. Voor de zoveelste keer dus, dan had ik ook maar beter naar u moeten luisteren! Toch kwam de scheiding nog onverwachts, mijn tweede vrouw is zo snel weggelopen dat ze de eerste nog heeft ingehaald...''

Het is een citaat uit Acte van verlating, een mooi, ontroerend boekje uit 1988 dat handelt over Weemoedts ''verliezen aan het liefdesfront'': de van jongs af aan verstoorde relatie met zijn moeder en zijn gestrande tweede huwelijk. Twee vrouwen die hem verlieten en die hij niet uit zijn hoofd kon zetten.

Inmiddels heeft het leven de literatuur alweer ingehaald, want dit tref ik - voorbereid op het ergste - aan in huize Weemoedt te Vlaardingen: een luid blaffende hond, een in de box kraaiende baby, een 10-jarig zoontje, een hartelijke echtgenote en een redelijk opgeruimd uitziende schrijver. Het is bijna te veel van het goede. Weemoedt aan het hoofd van een gelukkig gezin? Is dat geen slag voor de Nederlandse literatuur?

We zonderen ons af in zijn donkere werkkamertje op de begane grond van zijn huis aan de Markt van Vlaardingen. ''Ik ben nu voor de derde keer getrouwd'', legt hij uit, ''zij het dat ik de laatste twee keer met dezelfde vrouw ben getrouwd. We zijn een jaar of twee uit elkaar geweest en toen officieel opnieuw getrouwd.''

In 'Acte van verlating' beschrijf je hoe je haar en jullie zoon in de periode van scheiding steeds weer opzoekt en weggaat. Benauwt het huiselijk geluk je?

''Nee, helemaal niet. Ik heb er altijd naar verlangd. Voor mij is een gezin ideaal. Dan heb je nog eens iemand om mee te praten. Ik ken overigens maar weinig vrouwen die met een schrijver - een kunstenaar in het algemeen - getrouwd kunnen zijn. Ik heb dat zo vaak zien mislukken. Laat ik voor mezelf spreken: wie is mijn eerste klankbord? Dat is Karin. Als zij mijn werk niks vindt, is het voor mij ook niks. Dat betekent wel dat er 's avonds aan tafel veel over schrijven gesproken wordt, al was het maar om haar te vertellen dat het niet gelukt is. Karin weet bovendien veel van schilderen, daar praat ze graag over - en dat laadt me ook op. Als dat er allemaal niet was, zou het mis gaan.

''Het is ook tussen ons vaak fout gegaan. Je kunt een vrouw hebben die je als een kloek beschermt. Zo'n vrouw is zij niet.

Zij heeft haar eigen merkwaardigheden die uitermate pijnlijk kunnen zijn. Daarvoor moet je dan boeten, maar dat houdt de relatie ook levend. Zij moet ook wel eens voor mij boeten als ik niet aan de verwachtingen van de normale echtgenoot kan beantwoorden.

''Zij heeft een enorme concurrente: dat is het schrijven, dat ook iets fysieks heeft. Maar ja... iemand is toch vaak je grote liefde. Als die opstapt, stort je wereld voor een groot gedeelte in. Dat is mij gebeurd en daar gaat dat boekje over.

Sommigen vinden het een wat chaotisch boek, omdat het zowel over mijn moeder als over mijn vrouw gaat. Maar voor mij was de ene misere naadloos verbonden met de andere. Alle oude wonden begonnen te bloeden. Dat heb ik niet bedacht, dat heeft het leven voor mij bedacht.''

Uit Acte van verlating: ''In welk jaar ze vertrok weet ik niet meer, dat is een beslagen ruit in mijn herinnering. Het was hoogzomer, een juli of augustus tegen het einde van de middelbare school en ik keerde terug van een kampeervakantie aan het Meer van Neuchatel, een reisje dat mijn vader een vriendje en mij had aangeboden. Mijn moeder was, zoals gebruikelijk, thuisgebleven. [...] Het was midden op de dag maar het huis dat altijd rumoerde, danste en sprong onder mijn moeders kokende gesloof maakte een onbewoonde en verlaten indruk. In plaats van stofzuigergeloei, het geklepper van de vuilnisemmer, het geschrob van de ruwharen bezem over de tegels, in plaats van ramen en deuren die opensloegen om stofdoeken uit te slaan, leek al het leven voorgoed uit het huis weggetrokken. En ook binnen, in het onwezenlijke, gezeefde licht dat door de gordijnen viel, hing de sfeer van een sterfhuis.''

Ze verdween zomaar uit je leven - dat moet voor een kind nauwelijks te bevatten zijn.

''Ik was me er amper van bewust. Er werd niks over verteld. Mijn vader is een zo gesloten persoon dat hij de kunst verstaat om iets dat heel ingrijpend is voor volkomen normaal te laten doorgaan. Er is nooit een woord over gesproken.''

Zei je niet tegen je vader: zorg dat ze terugkomt? Lachend: ''Nee, dat is een taal die wij totaal niet beheersen.

Dat gaat over gevoelens, en die word je verondersteld niet te hebben. Mannen onder elkaar! Ik was 16 jaar. Je doet alsof je het begrijpt, en daardoor word je ook groter in je eigen ogen - en dan gaat het fout. Pas als je echt alleen zit, zoals ik in het begin van mijn studententijd in Leiden, komt er iets terug: waar is die vrouw nou eigenlijk gebleven? Waar zit ze?

En dan heb je nog de neiging om te denken: dit is sentimenteel. Dat gevoel heb ik heel lang gehad.

''Achteraf heb ik het er flink te kwaad mee gekregen. Omdat mijn eenzaamheid in Leiden misschien op de hare leek. Ik kwam van de middelbare school in Vlaardingen, het Groen van Prinstererlyceum [de school ook van Biesheuvel en 't Hart], een aangename gemeenschap met een soort intellectuele saamhorigheid. Ik had gehoopt dat het in mijn studentenleven ook zo zou zijn, maar dat viel tegen, ik kwam er niet echt in.

Door die overeenkomst moest ik heel sterk aan mijn moeder denken.'' Mompelt: ''We zijn toch maar stipjes die verlaten en doelloos ergens door een raar heelal suizen.'' Dan: ''Later, als je over de verlatenheid van andere mensen leest, daalt het in je hoofd in - daar word je alleen maar desolater van.''

Heb je veel last van depressies? ''Ik heb vroeger veel depressies gehad. Als kind al. Het is erger geworden in het begin van de middelbare school. Ik heb gehoopt dat het zou slijten, maar dat is niet helemaal uitgekomen. Regelmatig slaat het toch weer toe. Het kan weken aanhouden. Dan ben ik bepaald niet in de stemming om er uit te gaan. Er zitten ook fysieke kanten aan: ik krijg zware migraines, kan me niet meer goed bewegen. Het schrijven gaat ook niet meer.''

Uit sommmige verhalen begrijp ik dat je bang bent dat je het aan je oudste zoon hebt doorgegeven.

''Ik heb altijd gedacht dat ik alleen zou blijven, en dat dat ook maar beter was. Maar wat gebeurt er? Door 's levens kronkelingen raak je zowaar ook nog getrouwd en er komt een kind. Erg leuk, en het zou allemaal zo in de Libelle kunnen, als je niet de angst had dat je sombere aard zich voortplant.

Oscar kan zulke oersombere dingen zeggen, onvoorstelbaar, het is alsof de genen dan een stem krijgen. Een doodsverlangen kun je overerven, daar voel ik me ontzettend schuldig onder.''

Keert zo'n verlangen nog vaak in je gedachten terug? ''Ik sta officieel te boek als potentiele zelfmoordenaar, ik kom voor in Jeroen Brouwers' De laatste deur. Nietzsche zegt 'Sterf te rechter tijd'. Dat is juist, je moet niet te oud worden. Maar je moet ook niet te laat zelfmoord plegen. Ik heb me erg verbaasd over de zelfmoord van Primo Levi. Ik dacht steeds: waarom nu nog? Zelfmoord pleeg je als je niet van je zelf houdt en als niemand van jou houdt. Lezers als ik hielden van Levi. Er is een grens waarbuiten je geen zelfmoord meer kunt plegen. Dan wordt de zelfmoord een klap in het gezicht van anderen. In dat stadium voel ik me zelf.''

Als hij over zijn jeugd in Vlaardingen vertelt, moet ik aan zijn boeken denken: de mededelingen zijn vaak somber, maar de toon blijft licht. ''Ik kom uit een milieu waarin een simpele aanraking al als een behoorlijke intimiteit werd beschouwd.

Zoenen - dat deed je niet. Nu gaat het tegenwoordige gezoen mij ook te ver - iemand die je amper kent meteen drie keer op de wang zoenen - maar kinderen moeten toch wel eens aangeraakt worden. Omdat ik niet goed bestand was tegen de spanningen thuis, ben ik gedeeltelijk opgegroeid bij een tante in de buurt. Lieve, hartelijke mensen, maar ook zeer onlichamelijk.

Toch kan ik mij dank zij mijn tante voorstellen hoe een moeder is. Mijn moeder kon dat niet overdragen, zij was een moeder tegen wil en dank.''

Hoe is het om gedeeltelijk los van je ouders op te groeien? ''Heel raar. Het zijn bekenden, maar ook vreemden. Ach, ik ben er niet onherstelbaar door beschadigd. Ik heb genoeg goede dingen gezien in mijn jeugd. Maar het laat wel zijn sporen achter. Ik was er gevoeliger voor dan mijn vier jaar oudere zusje.''

Heeft het je schrijverschap bepaald? ''Dat geloof ik wel. Ik ben eerder een bijwoner dan een bewoner, ik sta nooit in het hart van de dingen, maar ik beschouw ze. Er zit een glazen ruit tussen mij en de anderen.

Dat leidt eerder tot bespiegeling. Een zakenman of een sportman gaat op in de dingen, die heeft geen tijd voor secundaire gedachten.

''Tegenwoordig wil iedereen schrijver worden. Ik denk soms van anderen: waarom wil jij nou schrijver worden, je hebt een prachtig leven, je maakt veel mee, je bent juist geen schrijver, want een schrijver moet het een en ander missen.

Schrijven - het is een gebrek. Al dat ophemelen van schrijvers is waanzinnig. Goed, je kunt zeggen: gehandicapten zijn ook in, maar dan hoef je van schrijvers nog geen goden te maken.

Het zijn in zekere zin gemankeerde mensen. ''Het is altijd mis met schrijvers, je moet ze niet vertrouwen. Hun bronnen zijn troebel. Er speelt altijd wel een of andere rare jaloezie of overdrijving een rol, ze willen de mooiste vrouwen hebben, of juiste de lelijkste, ze willen in ieder geval alles wat raar is - en dat komt omdat ze te veel vanachter hun ruiten kijken.

''Het zijn vaak ook nogal principeloze mensen. Ze ventileren allerlei meningen in hun romans en als ze erop worden aangesproken, zeggen ze: het is maar een romanpersonage.

Papieren tijgers zijn het, zei Komrij terecht. Ook romanschrijvers hebben de wijsheid niet in pacht. Maar in iedere samenleving wil men de wijsheid lokaliseren. Vroeger lag die bij de oude stamhoofden, toen bij de Kerk en nu bij de schrijvers, terwijl het toch duidelijk is dat er onder schrijvers evenveel malloten rondlopen als elders.

''Mensen met schrijversambities probeer ik altijd te behoeden voor een ongelukkig leven. Het is geen benijdenswaardig bestaan. Ik zit hier de hele dag het niet te weten. Wat is daar leuk aan?''

Hij schreef Acte van verlating in de zomer van 1988 op een dieptepunt in zijn bestaan. Een opgebroken huwelijk, torenhoge schulden en in de meest letterlijke zin geen brood op de plank.

''Eigenlijk staat er op elke pagina van Acte van verlating: HONGER. Ik zat door belastingschulden financieel meer onder dan aan de grond. Sinds ik uit het onderwijs was, had ik als een kleine zelfstandige gewerkt en veel te weinig voor de fiscus gereserveerd. De mensen kunnen zich dat niet voorstellen. Omdat je enige bekendheid hebt, denken ze dat jou zoiets niet kan overkomen. Ik had ook een grote angst om het te laten merken. Ik heb een soort Engelse, ingeprente beschavingsnorm: 'Gij zult nooit iets aan een ander vragen'.

''Het kwam niet bij me op om bij de Bijstand aan te kloppen. Eigenlijk moet je de krantenredacties opsnellen, roepend: 'Ik heb volgende maand twee dagen de tijd om voor jullie naar Bonaire te gaan, maar je moet wel meteen beslissen!' Dat is succes, zo zit dat in elkaar, maar ik kan mezelf niet verkopen.''

''Het liep uit op een hongerkunstenaarschap dat je in deze tijd niet voor mogelijk houdt. Ik kwam tot beschamende zelfobservaties. Mijn buurman nodigde me op het eten uit. Ik zag mezelf schrokken, als een dier, gefixeerd op een bord met boontjes. Ik hoopte maar dat hij mijn innerlijke stem niet hoorde: 'Schiet op! Schep op!'

''Je zou verwachten dat je onder zulke omstandigheden niet de lust zou hebben om iets secundairs als schrijven te doen. Maar de behoefte om te schrijven was juist groot. Ik moest mezelf afremmen om het verdriet niet in een te directe, sentimentele vorm te gieten. Het schrijven van Acte van verlating was een buitengewoon zwaar karwei, maar het was tevens een bevestiging van het feit dat ik voortaan een schrijver, of in ieder geval een schrijvertje, zou zijn. Daar heb ik altijd grote twijfels over gehad.

''Het is nu een grenzeloze behoefte: dingen die je ziet of je je herinnert op papier te zetten. Je ziet bij veel schrijvers dat ze een korte periode van bekendheid doormaken en daarna niets meer schrijven. Hun behoefte om te schrijven, hun liefde daarvoor, is weg. Dat kan ik niet begrijpen. Die impuls is er bij mij altijd, ook in perioden dat ik denk dat ik er geen reet meer van kan. Het blijft mijn leven bepalen.''

Je leidt hier een gesoleerd bestaan. ''Misschien wel iets te. De buitenwereld moet me eruit trekken, van nature blijf ik zitten waar ik zit. Ik ga zo ver met te proberen te schrijven dat ik mezelf een depressie bezorg. Ik heb grote achting voor Reve, maar ik begrijp niet dat hij kan zeggen dat schrijven een ambacht is dat hij onder de knie heeft. Bij mij is het net of ik het iedere dag opnieuw moet leren. Soms krijg ik een hele dag geen fatsoenlijke zin op papier. Beschamend. Dan zegt mijn omgeving: je moet er eens uit. Daarom heb ik nu een hond gekregen van mijn vrouw.

''Waar moet ik verder naartoe? Het cafe? Daar heb ik mijn hele leven al gezeten. Van kindsbeen af ben ik zeer vertrouwd met drank. Ik was elf jaar toen mijn vader al mijn eerste borrel inschonk. Hij werkte bij Matex, een olie-opslagplaats in Vlaardingen, en had veel met de scheepvaart te maken. De kapitein, zei hij altijd, drinkt geen koffie, maar een borrel.

Hij vond wel dat je onder die lawines van drank een heer moest blijven. Je stropje moest recht blijven zitten, ook als je in de goot lag. Maar voor een jongen van 14 is een aantal borrels toch voldoende om je te killen - dan daalde zijn ijzige minachting op mij neer. Nog steeds zal ik mijn dronkenschap zelden tonen.''

Je bent na je studietijd in Vlaardingen blijven wonen. Uit je werk blijkt een haat-liefde verhouding met die plaats.

''Ik voel nu eerder een zekere onverschilligheid ten opzichte van Vlaardingen. Het is weinig inspirerend, het wordt tijd dat ik verhuis. 's Nachts heb ik veel last van de industriele herrie. Alsof je aan een soort frontlinie woont: een zoemen, zinderen, fluiten, allerlei neurasthenische geluiden van de industrie aan de overkant. Wat ze overdag niet spuien, doen ze 's nachts. Het is zo onvoorstelbaar dat je je afvraagt waarom de mensen niet verontwaardigd de straat opgaan. Maar de reden ligt eigenlijk voor de hand: omdat ze er werken. Mijn oudste zoontje heeft een lichte vorm van cara: de Vlaardingse ziekte, noem ik dat.

''Maar ach, het is nergens goed, en verhuizen is voor mij een traumatische ervaring, dus over een jaar of twintig zullen we misschien eens tot actie overgaan.''

Waarom ben je destijds opgehouden met de zaaloptredens met Hans Dorrestijn?

''We hebben het jarenlang gedaan. Hans en ik lazen voor en we zongen samen - ik, ondanks grote angsten, de tweede stem. Het was een vrij hectisch, mobiel leven. We verdienden er weinig mee. Je kwam niet altijd in even opwekkende gymnastiekzaaltjes en theatertjes terecht. In een Hilversums cafe - we hadden net in een soort crematorium in Steenwijk opgetreden - hebben we toen de koppen bij elkaar gestoken. Bij ons beiden leefde heel sterk de wens om te schrijven.

''We hebben toen besloten om te stoppen. Ik ben geen theaterdier, de spanningen voor een optreden werden me te veel. Ik heb een zeer verbruikt zenuwstelsel omdat ik me om alles druk maak, ik kan niet veel meer hebben. Hans is later toch doorgegaan en het gaat nu heel goed met hem. De mensen hebben de neiging om ons als broers te zien. Affectief is dat misschien zo, maar er liggen ook werelden van verschil tussen ons.''

Opeens was je ook verdwenen uit 'De taalmeesters' van de Avro-tv.

''De formule sprak me niet aan. Hoeveel k's je in een zin kunt zetten, die grappen boeien me niet. Ik heb het voor het geld gedaan. Ik ben een omgekeerde ijsboer: 's winters vragen de mensen me nog wel eens om voor een knapperend haardvuur een verhaal voor te lezen, maar 's zomers gaan ze naar het strand en zit ik zonder inkomsten. Ik heb er geen spijt van gehad, het waren aardige mensen, maar ik heb toen wel het wereldrecord zwijgen in een taalspelletje gebroken. Ik zei soms echt niks. We moesten alles thuis voorbereiden en ik kreeg niks op papier.'' Hij laat me zijn schriftje zien met genoteerde wanhoopskreten: ''Doe ik niet! Te flauw voor woorden! Kan ik niet!''

Tot 1984 werkte hij als leraar Nederlands op een scholengemeenschap in Vlaardingen. Die dertien jaar durende periode leverde het navrante decor op voor de novellen De ziekte van Lodesteijn en De nadagen van Lodesteijn. De leraar Lodesteijn - daar heeft hij nooit een geheim van gemaakt - is Weemoedts alter ego.

''Wat mij altijd gestoord heeft in het onderwijs, was de passieloosheid van de meeste leraren. Je kunt niet voor de klas gaan staan als je een uitgedoofde vulkaan bent. Je mag het kinderen niet aandoen om fossielen voor de klas te zetten.

Goed doceren is geen kwestie van didactiek. Men is op de vorm gaan letten, op de didactische regels, en men is vergeten om vurig kader in dienst te nemen. Ik kende een hele saaie geschiedenisleraar waar de klas alleen naar luisterde als hij over zijn enige passie vertelde: spoortreintjes. Ik dacht: was je maar zo bevlogen over de slag bij Waterloo.

''Het feit dat ik schreef stuitte bij veel collega's op kinnesinne. Ik ondervond treiterigheid - niet alleen van de staf, maar ook van collega's. Toch ben ik net zo lang doorgegaan tot mijn lichaam de dienst opzegde. Ik kukelde om op momenten waarop je dat niet behoort te doen. Ik kwam in het medische circuit terecht, maar ik wilde niet afgekeurd worden, want dan zou ik op een indirecte manier mijn leven lang aan de school hebben vastgezeten. Ik heb gewoon opgezegd - daarin verschil ik van Lodesteijn.''

De literaire kritiek heeft Weemoedt de laatste jaren, op enkele enthousiaste uitzonderingen na, genegeerd. Het verbaast hem, maar het ergert hem niet, want zijn werk verkoopt toch wel goed.

''Als ik wel eens de stukken van toonaangevende critici lees, denk ik: er gaapt zo'n kloof tussen jullie wereld en de mijne, het is beter dat dat zo blijft. Het geeft me ook een bepaalde vrijheid. Als ik tot de officiele literatuur gebombardeerd zou worden, zou ik nog minder gaan schrijven. Dan zou ik hilarische verhalen als 'Koperen Ko' in mijn laatste bundel Halte Tranendal niet eens meer durven schrijven.''

Dat verhaal leek wel een lange 'Kronkel'. ''Carmiggelt kon heel goed beschrijven. Hij is de eerste geweest die in een krant iets aardigs over mijn werk schreef: over Geduldig lijden, mijn eerste dichtbundeltje. Sindsdien kreeg ik vaak buitengewoon treurige ansichtkaarten van hem met in zwarte nylons geklede dames waarop hij schreef: 'Dat lijkt me wel een vrouw voor jou'.

Zijn werk is de laatste jaren over het algemeen ernstiger geworden, zoals ook blijkt uit een prachtig verhaal als 'De vriendin van mijn jeugd' uit Halte Tranendal. De droefgeestig-komische atmosfeer van zijn eerste gedichten en verhalen heeft plaatsgemaakt voor een melancholieke ernst.

Zijn verhalen raken steeds meer bevolkt door ploeterende, kleine mensen aan de onderkant van de samenleving.

''Ik zie hun drama's'', zegt hij. ''Daarom ga ik ook liever niet meer naar het cafe. De zaak kan gevuld zijn met uitbundige mensen, maar ik fixeer me op die ene die stilletjes aan de bar zit. Er ontstaat een heel naargeestige bloemlezing van mislukkingen in mijn hoofd. De ergste treurigheid gaat altijd uit van de mensen die het in wezen zijn, maar het zelf niet weten.''

Ik herinner hem aan de buurman uit De nadagen van Lodesteijn, die onophoudelijk tevergeefs zijn instortende huis probeert te redden. ''Als er weer een lawine van oude, aangekoekte IJsselsteentjes naar beneden raasde, stond hij er vanaf een afstandje bij te kijken alsof hij die ineenstorting zorgvuldig had geconstrueerd, een denkbeeldige bouwtekening raadplegend.''

''Ja'', zegt hij, ''die man ben ik.''