Industrie bang voor Defensienota

ROTTERDAM, 8 JUNI. Als de Tweede-Kamerleden zich maandag buigen over de Defensienota - door de verantwoordelijke bewindsman A.L. ter Beek al gekenschetst als “de grootste reorganisatie van de Neerlandse krijgsmacht na de Tweede Wereldoorlog” - hoeven zij althans over een zaak niet in het duister te tasten - het ongenoegen van de Nederlandse defensie-industrie. Natuurlijk prijst men ook in die kringen het einde van de koude oorlog, de val van de muur en Gorbatsjov's vertrek uit Centraal-Europa. En de noodzaak tot enig snijwerk in de defensiebegroting wordt zeker niet ontkend. Maar toch.

“De finale klap”, zo omschreef Fokker-bestuurslid dr. R.J.

van Duinen eind mei de Defensienota tijdens een samenzijn van het 'defensie-establishment' in het Haagse Congresgebouw.

Terwijl hij uitdagende blikken wierp naar de ook aanwezige staatssecretaris voor bewapening, mr. B.J.M. baron van Voorst tot Voorst, vervolgde hij: “Ooit was er sprake van wederzijdse erkenning en samenwerking tussen overheid en industrie. Dat dreigt nu te verdwijnen. Centen-tactiek gaat boven strategische analyse”.

“Zeer problematisch”, zo omschreef directie-voorzitter drs. B.P. Hiddinga van De Schelde deze week tijdens de presentatie van het jaarverslag het uitblijven van zekerheid over een regeringsorder voor twee geleide wapenfregatten in de jaren negentig. “Niet de kaasschaaf is nodig, maar een duidelijke keuze voor zaken waarin wij de besten zijn”, aldus Hiddinga.

Zoals, dat spreekt, het bouwen van fregatten. “Verschrikkelijk jammer”, vindt directie-voorzitter ir. D.

van Dort van Van der Giessen-De Noord het dat de regering nog maar zes in plaats van tien mijnenvegers wil laten bouwen en dan nog twee jaar later (1994) ook. Tot overmaat van ramp is Van Dort nog niet eens zeker van die order.

En wat liet bestuursvoorzitter ing. G.A. Reudink van Koninklijke Nijverdal-Ten Cate zich ontvallen toen Den Haag onlangs een order voor de vervaardiging van legerkleding gedeeltelijk uitbesteedde aan de zuiderburen? “Schandalig.

Die Belgen hebben daar nog nooit een meter van geproduceerd.'' Ook ir. J.H. Dibbetz, directeur van de Nederlandse industrie marketing associatie voor de verwerving van defensie-orders (NIID), waarin 150 Nederlandse defensie-bedrijven zich sterk maken voor orders uit het Haagse, blijkt niet gelukkig met de Defensienota. Hij vindt dit werkstuk zelfs wat schizofreen.

Dibbetz: “Aan de ene kant zegt Defensie: bezien vanuit de nationale strategische militaire optiek is het niet noodzakelijk te beschikken over een eigen defensie-industrie.

Tegelijk bevat de Defensienota echter kanttekeningen die daar tegenin gaan. Zo wordt geschreven over de nadelen van het elders 'van de plank' kopen. Je hebt bijvoorbeeld geen invloed op ontwerp en ontwikkeling, je moet kopen wat er is en je gaat in groeiende mate technologisch achterlopen. Ook zegt Defensie dat het nuttig is als de Nederlandse defensie-industrie aan internationale samenwerkingsprojecten blijft meedoen. Uit dat alles spreekt een tegenstrijdige opstelling.''

NIID-directeur Dibbetz ziet nog een praktisch probleem: “In de Defensienota staat met zoveel wooorden: wij gaan eerst kijken of wij waar dan ook goedkoper en kant-en-klaar van de plank kunnen kopen en als dat niet lukt gaan wij in nationaal of internationaal verband zelf wat ontwikkelen. Gezien de lengte van een ontwikkelingsproces - minstens zeven a acht jaar - zul je zo'n besluit heel vroeg moeten nemen. En dat zie ik niet gebeuren. Zo'n besluit zal pas vallen als enkele jaren tevoren het geld beschikbaar wordt gesteld en dan is het te laat om zelf wat te ontwikkelen. Dan heb je geen keus meer.

Dan moet je wel van de plank kopen.'' De NIID-directeur zegt dat de huidige opstelling van het ministerie van defensie eigenlijk op het volgende neerkomt.

“Stel wij hebben in 1999 een nieuw wapen nodig. Dan gaan wij daar in 1995 wat aan doen en in 1996 een opdracht plaatsen.

Maar zo werkt dat niet. Nu al moet je je afvragen: nemen wij over vijf jaar het risico dat wij in hemelsnaam maar van de plank kopen wat er dan aanwezig is? Of zeg je: ik wil over vijf jaar materiaal hebben dat aan mijn eisen voldoet, ik voorzie op dit moment geen ontwikkeling die al gaande is, dus besluit ik nu zelf of in internationaal verband iets te gaan ontwikkelen. Wij zijn bang dat van de plank kopen op deze wijze gaat overheersen en steeds minder in Nederland zal kunnen plaatshebben.''

Ook verder in de markt voorziet hij de nodige tegenslagen. Er komen minder tanks, schepen en vliegtuigen en dat betekent dus minder onderhoud en marktverlies. Er komt weliswaar een nieuwe 'luchtmobiele brigade' maar grote transportvliegtuigen maakt Nederland niet en voor de middelgrote toestellen mikt Defensie niet op Fokkers maar op de Spaanse Casa CN-235 of de Italiaanse G-222. Er komen ook nieuwe helicopters maar dat is een korte-termijn-behoefte en die komen dus 'van de plank'.

Toch zegt NIID-directeur Dibbetz: “De Nederlandse Defensie-industrie mag dan krimpen - en van de ongeveer 20.000 arbeidsplaatsen in deze sector zullen er de komende jaren zo'n vier a vijfduizend verdwijnen - toch gooien wij zeker niet de handdoek in de ring. Want Defensie heeft per jaar gemiddeld nog zo'n drie miljard gulden (in plaats van vier miljard) te besteden. Op een paar punten denken wij dat de samenwerkende Nederlandse industrie haar relatieve aandeel zelfs nog kan vergroten. De elektronica-communicatiesector biedt zeker mogelijkheden en door het langer gebruiken van bestaand materieel zullen onderhoud en modernisering belangrijker worden.”

Verder verwijst Dibbetz naar het onlangs gevormde 'Nederlandse industrie-simulatorplatform', waarin een aantal Nederlandse industrieen zich samen op de ontwikkeling van allerhande simulatoren willen werpen. “Dat gaat van war-games en vluchtsimulatie tot realistische trainingen voor tankbemanningen en kanonniers. Dat is een duidelijke groeimarkt waarin de Nederlandse industrie zich door bundeling van krachten en door samenwerking met laboratoria sterker wil manifesteren.”