Haagse Picasso's onmisbaar voor Nederlandse collectie; Fuchs mag niet zomaar verkopen

Hoewel de directeur van het Haagse Gemeentemuseum Rudi Fuchs nu wijselijk in het midden laat welke werken hij op de markt wil brengen, heeft hij daarover in het verleden duidelijke standpunten ingenomen. Prominent op de lijst van af te stoten kunstwerken stonden een Monet en twee Picasso's. Nu hij in interviews in NRC Handelsblad en NOS Laat (beide 30 mei) opnieuw Picasso's ter sprake heeft gebracht (dit keer als 'voorbeelden'), valt te vrezen dat hij zijn plannen niet heeft laten varen.

Dat Fuchs een oplossing zoekt voor de smalle budgettaire basis van zijn activiteiten als museaal verzamelaar is meer dan begrijpelijk. Het is een verdienste dat hij het hoofd niet in de schoot legt nu de gemeente Den Haag geen geld beschikbaar stelt om een zo uitzonderlijke collectie als die van het Gemeentemuseum op peil te houden. De wijze echter waarop Fuchs naar middelen zoekt om tot vernieuwing van de Haagse collectie te komen, het verkopen van topwerken als die van Picasso, is een heilloze zaak, zeker als men de argumenten kent waarmee de bewuste werken indertijd voor het Haagse Gemeentemuseum werden verworven.

In de collectie van dit bevinden zich drie schilderijen van Pablo Picasso: Moutarde (1909-1910), Harlequin (1913) en Sibylle (1921). Met het Stedelijk Museum, het Rijksmuseum Kroller-Muller, het museum Boymans-Van Beuningen, het Stedelijk van Abbemuseum en de Stichting Hannema-de Stuers Fundatie is het Haags Gemeentemuseum een van de zes openbare collecties in Nederland met unica van Picasso. In totaal bevinden zich slechts zestien schilderijen van Picasso in de Nederlandse museumcollecties. Twee daarvan zijn eerst in 1981 en 1982 aan het Nederlands bezit toegevoegd: Vrouwelijk Naakt voor Tuin (1956), dat Edy de Wilde verwierf voor het Stedelijk Museum en Le Couple (1969), door Wim Beeren gekocht voor het Museum Boymans-van Beuningen.

Hoewel er dus relatief weinig schilderijen van Picasso in Nederland zijn, is de ontwikkeling van een van de belangrijkste kunstenaars van deze eeuw aan de hand van deze werken redelijk te volgen. Zo zijn de vroegste jaren (circa 1900), de kubistische periode en de Tweede Wereldoorlog vertegenwoordigd, maar ook Picasso's klassicistische periode en zijn laatste jaren.

In Den Haag, waar men van 1921 tot in de Tweede Wereldoorlog een werk van Picasso in bruikleen had, zijn lange tijd pogingen ondernomen om Picasso's voor de verzameling te verwerven. L.J.W. Wijsenbeek - van 1951 tot 1977 directeur van het Haags Gemeentemuseum - probeerde al in 1953 Picasso's vroeg-kubistische Portrait de Clovis Sagot te kopen, maar moest daar - vermoedelijk wegens de prijs - van afzien. Hij beschouwde het daarom als een groot geluk dat hij in 1956 de hand had kunnen leggen op de drie schilderijen die zich nu in de collectie van het Haags Gemeentemuseum bevinden. Met deze werken beschikte men over een klein 'Picasso-kabinet'; men had bewust drie doeken gekocht om ze met elkaar te exposeren. In zijn nota Inzake aankoop 3 schilderijen van Picasso schreef Wijsenbeek naar aanleiding van de aankoop dat “nu eindelijk de mogelijkheid zich opent dit museum op internationale voet te schoeien en het een definitieve plaats te geven te midden van de musea van internationale moderne kunst in binnen- en buitenland”. Op 1 augustus 1956 liet Wijsenbeek B. en W. van Den Haag weten: “Na jarenlange naspeuringen is het mogelijk geweest nu in de laatste maanden een ensemble van 3 schilderijen van Picasso te verzamelen, dat rondweg uniek genoemd kan worden. Vooraf zij gezegd, dat het gemis aan het werk van deze grootste schilder der twintigste eeuw in de opbouw van de museumcollectie sterk gevoeld werd. Dit nog zoveel te meer nu wij in de laatste jaren het Italiaanse futurisme, het Duitse fauvisme en de internationale abstracte kunst (vooral Mondriaan) in bijzonder mooie kwaliteit in het museum hebben kunnen verwerven. Het werk van Picasso, de voorganger bij het tot stand komen van het expressionisme, het kubisme en gedeeltleijk ook de abstracte kunst, moest, wilde de collectie zijn wat ze beoogt, - nl. leidraad in de moderne kunst voor de Haagse bevolking en de vreemdeling - in het ensemble niet gemist worden”.

De drie werken in Haags bezit zijn dus niet toevallig aangekocht, maar als de realisatie van een jaren gekoesterde wens. De aankoop was een zorgvuldig voorbereide transactie, waarvoor Wijsenbeek diverse keren naar Zwitserland is gereisd.

Het was zijn intentie met de Picasso's context te geven aan onder andere de collectie werken van Mondriaan die in die tijd langzamerhand het Haags Gemeentemuseum binnenkwam. Het Gemeentemuseum bezit nu de grootste verzameling Mondriaans ter wereld. Het is bekend dat Picasso's kubistische schilderijen van primair belang zijn voor Mondriaans ontwikkeling naar de abstractie. Tot in zijn laatste jaren was Mondriaan zeer onder de indruk van Picasso's kubistische werk. In NRC Handelblad bracht Fuchs Mondriaans werk nadrukkelijk in verband met de symbolistische lijnen in zijn collectie. Fuchs lijkt de symbolistische Mondriaan dus te prefereren boven de Mondriaan op weg naar kubisme en abstractie.

Een wonderlijke optiek voor de directeur van een museum dat van Mondriaan meer kubistische werken beheert dan welke andere instelling ook. Juist gezien de behoefte aan onderling verband die Fuchs uitspreekt, is het merkwaardig als de Picasso's uit Den Haag verdwijnen, want twee ervan (waarvan er een waarschijnlijk niet hoeft te vertrekken) geven door de kubistische stijl bij uitstek een context aan de voorfasen van Mondriaans abstractie.

Een van de doeken, Harlequin, is ook van belang omdat het door Van Doesburg in 1919 werd afgebeeld als typerend kubistisch werk in zijn artikel De stijl der toekomst, waarin onder meer de rol van het kubisme voor het neo-plasticisme aan de orde wordt gesteld. Daarmee heeft het schilderij juist voor Nederland een bijzondere relevantie. Dat Picasso van het schilderij Harlequin schetsen heeft bewaard die zich nu in het Musee Picasso bevinden, duidt erop dat hij het werk een bijzondere status toekende.

Sibylle - het tweede doek dat hoog op Fuchs transferlijst staat - is het enige unicum uit Picasso's klassicistische periode in Nederlands bezit. Sibylle is een werk dat een vergelijking met een soortgelijk doek, Tete de femme (1921) uit de collectie van het Musee Picasso, met glans doorstaat.

Gezien de recente internationale herwaardering voor de klassieke tendensen van de jaren twintig en gegeven het feit dat Picasso's klassicisme slechts met dit enkele stuk in Nederland vertegenwoordigd is, zou het betreurenswaardig zijn als dit doek uit Nederland verdwijnt. Nog tot 1958 had het Stedelijk Museum door een bruikleen uit de collectie-Regnault de beschikking over Interieur (1934), een surrealistisch werk van Picasso. Mede omdat het surrealisme in Nederland niet hoog stond aangeschreven, werd het geveild en verliet het ons land.

Door aankoop van Sybille was Picasso in Nederland van 1956 tot 1958 in elke belangrijke fase van zijn ontwikkeling vertegenwoordigd. Verkoop van Sibylle zou betekenen dat twee belangrijke periodes uit Picasso's oeuvre in ons land ontbreken.

Fuchs zegt in het interview met NRC Handelsblad over de Haagse Picasso's: “Er is een heel vroege bij, die Mondriaan duidelijk heeft benvloed. De twee andere zijn van veel later datum en passen niet in de rest van de collectie. Ze zijn in de jaren vijftig aangekocht, omdat de toenmalige directie er een bepaalde richting mee op wilde. Maar dat is nooit doorgezet”. Het is juist dat in de jaren vijftig veel aandacht voor Picasso bestond. In Nederland werden nooit zoveel Picasso's gekocht als in 1956 - het jaar dat Fuchs'

voorganger de drie Haagse werken verwierf, het Van Abbemuseum Buste de Femme en het Stedelijk Museum Zittende Vrouw met Vishoed. De reden van deze belangstelling was dat men zich toen pas goed realiseerde welke cruciale rol Picasso's werk binnen het modernisme vervulde. Bovendien was er enig budget en bleek het werk nog niet geheel onbetaalbaar.

Fuchs uitlating is vooral curieus omdat het kubisme - en vooral Picasso's pionierswerk - in het museum een wezenlijk onderdeel van de collectie vormt. Het museum bezit kubistische sculptuur van Laurens, Gonzales en anderen, en kubistische schilderijen van Picasso, Braque, Leger, Le Fauconnier, samen met een omvangrijk bruikleen van doeken van Severini.

Bovendien zijn de kubistische schilderijen in de Haagse collectie niet alleen een zelfstandige groep, maar ook schakelstukken tussen de rijke symbolistische verzameling en de abstracte en constructivistische lijnen in de collectie.

Fuchs' verhaal is dus nogal aanvechtbaar. Bij een romantische visie zoals die van Fuchs hoort een voorkeur voor absolute oordelen. Fuchs heeft vaak blijk gegeven van grote eigenzinnigheid en originaliteit, maar dat ontslaat hem niet van de plicht tot een genuanceerde en zorgvuldige, op historische feiten gebaseerde discussie over de betekenis van 'zijn' Picasso's voor Nederland en voor de Haagse collectie in het bijzonder.