Gouverneur Ibrahim Hasan zet het venster van Atjeh open; 'WE MOETEN DE STENEN UIT DE RIJST HALEN'

Ibrahim Hasan heeft een tweeslachtige positie. Hij is Atjeher onder de Atjehers, maar hij is tevens gouverneur van dit Noordsumatraanse gebied. In die hoedanigheid moet hij een Javaans leger gedogen, dat in een harde strijd is gewikkeld met leden van de separatistische beweging Atjeh Merdeka. ''Terroristen'', aldus Hasan, ''van wie de echte Atjehers zich moeten distantieren. We moeten de gewelddadigen scheiden van de gewone mensen, zoals je stenen uit de rijst haalt.''

De pendopo, het paleis van de gouverneur in Banda Atjeh, is een curieuze mengeling van Hollandse architectuur en oosterse interieurkunst. Via marmeren trappen, onder een vooruitstekende houten overkapping, betreed ik de open ontvangstruimte, die de sfeer ademt van een Nederlands spoorwegstation uit de negentiende eeuw. In het schijnsel van kroonluchters bekijk ik de portretten van de Hollandse gouverneurs die hier over Atjeh regeerden: stuk voor stuk besnorde officieren in gala-uniform. Deze westelijke uithoek van Indie was moeilijk klein te krijgen en werd met straffe militaire hand bestuurd.

Hun opvolger anno 1991 is een Atjeher in hart en nieren. Ibrahim Hasan is de kleinzoon van een koranleraar uit Pidie, de geboortestreek van menige Atjehse vrijheidsheld. Zijn moeder was analfabeet en vader volgde maar drie jaar lager onderwijs. Maar hij had in de handel een klein vermogen verdiend en wilde dat zijn zoon toegang kreeg tot de wereldse wetenschap. Ibrahim ging naar de middelbare school in Medan, het centrum van de Deliplantages, en studeerde economie in Jakarta, de Verenigde Staten en de Filippijnen.

Hij staat me te woord in vloeiend Engels, dat hij, als die vreemde taal tekortschiet, doorspekt met Maleise zegswijzen.

Hasan is een elegante vijftiger, wiens voorkomen verraadt dat zich eeuwen geleden Indiase boeren vestigden in de kustvlakte van Pidie. Hij draagt een eenvoudig loshangend hemd en sandalen, maar zodra hij plaatsneemt tussen de goudbestikte kussens heeft hij de allure van een raja. Ik herinner me de opmerking van een bevriende Atjeher: ''Ibrahim Hasan is te vergelijken met de koning van Saoedi-Arabie, die tegen wil en dank vreemde troepen toeliet in het Heilige Land''. Die 'vreemde troepen' komen uit Java en zijn gewikkeld in een harde strijd met het verzetslegertje van Atjeh Merdeka (Vrij Atjeh), dat ijvert voor een onafhankelijke, islamitische staat.

”De vreemdelingenhaat van de Atjehers”, vertelt Hasan, “is een gevolg van de lange strijd tegen de Nederlanders. Voor die tijd was het sultanaat Atjeh Darussalam een handelsmogendheid waarvan de ramen en deuren wijd openstonden naar de buitenwereld. Kooplieden en zeevaarders uit alle windstreken deden de Atjehse havens aan. In de zeventiende eeuw onderhield de sultan een correspondentie met prins Maurits van de Nederlanden en koningin Elizabeth van Groot-Brittannie.

Maleisische moslims die op bedevaart gingen wachtten hier op een gunstige moesson: Atjeh was de Veranda van Mekka. En toen kwamen de Hollanders. Zij waren uit op onze specerijen en verklaarden ons zonder aanleiding de oorlog.'' Hij laat me een facsimile zien van de bewuste 'Proclamatie', gedateerd 4 juni 1873 en ondertekend met 'Loudon'.

Hasan: ''Dat was onze langste oorlog. Meer dan veertig jaar bevochten we de invaller in de naam van God. De Atjehers werden geboren, trouwden en stierven in oorlog. Het was een tijd van heldendom, waarin ons volk een sterk gevoel van eigenwaarde ontwikkelde. Maar tegelijkertijd verloor Atjeh zijn contacten met de buitenwereld en werd het een gesloten maatschappij. Sindsdien heeft de Atjeher geen vertrouwen meer in vreemdelingen; te vaak kwamen zij hier met onvriendelijke bedoelingen, uit louter roofzucht. Het doorbreken van dat mentale isolement kost veel tijd.''

Islam Atjeh was het eerste stukje van de Indonesische archipel dat overging tot de islam. Van daaruit werd de leer van Mohammed verbreid over Sumatra, Borneo en Celebes en later ook naar Java. Atjeh is tot op heden Indonesie's vroomste provincie.

''De ulama's (schriftgeleerden) van Atjeh zijn uniek'', zegt Hasan met nadruk, ''in geloofszaken namen zij al vroeg een heel eigen standpunt in dat hen wel eens in aanvaring bracht met de Arabische ulama's. Eeuwen geleden hadden wij een vrouwlijke sultan, die liefst vijftig jaar regeerde. Toen Benazir Bhutto destijds tot premier werd benoemd, gingen de Pakistaanse ulama's op zoek naar een precedent. Dat vonden ze in Atjeh Darussalam.''

De ulama's hebben in Atjeh altijd grote invloed gehad op het openbare leven en aangelegenheden van de staat.

Snouck-Hurgronje, de Nederlandse arabist en islamkenner, adviseerde de militaire bestuurders van Atjeh rond de eeuwwisseling om de invloed van de ulama's te neutraliseren en een strikte scheiding door te voeren tussen geloofszaken en bestuur. Die operatie mislukte, de Atjehers bleven terugvallen op hun religieuze leiders.

Het waren de ulama's die in 1949 voor aansluiting bij Indonesie kozen en het waren opnieuw de schriftgeleerden die in 1953 opriepen tot verzet tegen Jakarta toen Atjeh werd ingelijfd bij de provincie Noord-Sumatra. ''Dat konden we niet dulden'', zegt Hasan. ''We hadden de Republiek Indonesie in de jaren '45-'49 een vrijhaven geboden en van geld en wapens voorzien en toen hief diezelfde republiek onze provinciale autonomie op.'' In 1959 was de opstand nog steeds niet onderdrukt en stuurde Jakarta een speciale gevolmachtigde naar Atjeh om een regeling te treffen. Sindsdien is Atjeh weer een provincie, maar niet zomaar een. De Atjehers genieten speciale vrijheden op het gebied van de godsdienst, het onderwijs en de adat (gewoonterecht). Zolang niet strijdig met de nationale regelgeving, heeft de islamitische adat in Atjeh kracht van wet.

Hasan: ''De Atjehse ulama's hebben bepaalde privileges wegens het gezag dat zij krachtens de adat genieten. Bij de ontsluiting en economische ontwikkeling van Atjeh kunnen we niet om hen heen. Dat past in onze traditie: ulama en umara (wereldlijke autoriteiten) moeten samenwerken tot heil van staat en volk. De ulama's staan zeer dicht bij het volk; de autoriteiten hebben vaak alleen toegang tot de bovenlaag. Als bestuurder kan ik mijn beleid niet doorzetten zonder samenspraak met de religieuze leiders. Als ik ergens in Atjeh een irrigatiesysteem wil aanleggen, zijn het de plaatselijke ulama's die de plannen aan de boeren uitleggen. Als zij een stukje van hun land moeten opgeven om het bevloeiingswater door te laten, kan alleen de ulama hen overtuigen dat dit een offer is in het algemeen belang, waarvoor men in de hemel wordt beloond.''

Respect Hasan heeft als gouverneur van Atjeh een wat dubbelzinnige positie. Hij is benoemd door de centrale regering in Jakarta en het is in het centralistische bestuursstelsel van Indonesie zijn taak de politieke beslissingen van de hoofdstad door te voeren in de provincie. Hasan legt er echter de nadruk op dat het provinciale parlement met zijn benoeming heeft ingestemd.

Die instemming is grotendeels formeel, maar Hasan hecht aan zijn Atjehse legitimiteit. Sinds hij in 1986 gouverneur werd, heeft hij respect afgedwongen bij zijn provinciegenoten, die met het nodige wantrouwen naar Jakarta kijken. Menige Atjeher vindt dat de centrale regering gaat strijken met de rijke opbrengsten van het Atjehse aardgas.

Hasan: ''De aardgasvondst in 1972 bracht een schok teweeg in Atjehs traditionele samenleving. Opeens kwamen hier Amerikanen, Japanners, Koreanen en Singaporezen om installaties te bouwen. Het was als een grote steen die in een stille vijver valt; het water spatte hoog op. Rond het aardgas ontstond een industriele enclave, met alle onevenwichtigheden van dien. De buitenlandse technici beschikken over voorzieningen, waarvan de meeste Atjehers alleen kunnen dromen. Maar dit is tijdelijk. Als gevolg van het gas zal de provinciale economie sneller groeien en dat levert belastinggeld op. Daarmee kunnen we die kloof overbruggen, maar dat kost tijd. Atjehers zijn een driftig volk, geduld is niet hun sterkste eigenschap.''

De econoom Ibrahim Hasan presenteert in Jakarta het ene projectvoorstel na het andere en met succes: het Atjehse aandeel in de rijksmiddelen is de laatste jaren snel toegenomen. Hasan schrijft dat toe aan de kwaliteit van zijn projecten, maar waarschijnlijk is de nieuwe scheutigheid in Jakarta ook ingegeven door politieke zorgen. Sinds 1989 steekt de separatistische beweging Vrij Atjeh de kop weer op en zijn er tientallen doden gevallen onder Javaanse transmigranten.

Hasan: ''Wij hebben hier een lange ervaring met gewapende opstanden. Vergeleken met de jaren vijftig en zeventig is dit maar een klein probleem. Het blijft deze keer beperkt tot een drietal districten. De hardnekkigste verzetshaarden liggen in mijn eigen Pidie, in de berg-kampongs waar de familie Di Tiro haar bakermat heeft. Pidie is belangrijk. Toen Hasan Di Tiro vertrok [het hoofd van de Atjehse regering in ballingschap, die in 1976 de onafhankelijkheid uitriep; op 13 april stond met hem een interview in deze bijlage afgedrukt], liet hij enkele familieleden achter. Zij leven nog steeds in de bergen, waar ze leiding geven aan het verzet. We moeten deze broeinesten onder controle krijgen.''

De gouverneur heeft geen goed woord over voor de strijd van Hasan Di Tiro: ''Deze man heeft het grootste deel van zijn leven in het buitenland doorgebracht. Terwijl wij hier het moeizame ontwikkelingswerk deden, stak hij zijn geld in aanslagen en brandstichting. De daders zijn ongetwijfeld Atjehers, maar het zaad van de rebellie wordt van buitenaf gezaaid. Deze terroristen hebben een mentaliteit die ingaat tegen ons geloof, onze adat en de bijzondere status van Atjeh.

Het is een rauw slag mensen. Zij vermoorden onschuldige Javanen, maar schrikken er ook niet voor terug hun eigen verwanten te doden. Ik ken het geval van een Vrij Atjeh-strijder die een familielid, een militair, afmaakte, diens vrouw mishandelde en het lijk op straat smeet.''

Halal Hasan ontkent niet dat Vrij Atjeh nog steeds jonge mensen werft, maar hij plaatst wel een kanttekening: ''Wie zijn dat?

Ze zijn jong, maar hebben geen werk en geen opleiding. Het probleem is niet dat ze geen werk kunnen vinden - als zij willen kan ik hun ieder twee hectare grond garanderen - maar het zijn zoons uit aanzienlijke boerenfamilies, die vinden dat handarbeid niet bij hun status past. Honger hebben ze niet, want hun familie onderhoudt hen. Atjeh is een strenge maatschappij. Men heeft zich hier te houden aan de religieuze geboden en aan de adat. Je kunt hier niet, zoals in Jakarta, met vrouwen uitspoken waar je zin in hebt. Als je je bij het verzet aansluit, heb je de vrije hand, want in noodsituaties is alles halal (geoorloofd). Ze hebben vaak niet meer dan een onafgemaakte lagere-schoolopleiding en zijn makkelijk te benvloeden. Het zijn emotionele, heetgebakerde jongens die worden aangesproken op hun dromen over de oude tijd, toen onze helden de strijd aanbonden met de Hollandse marechaussee.''

De gouverneur zegt dat hij nauw betrokken wordt bij de planning van militaire operaties: ''Er is geen actie waarover het provinciebestuur niet wordt geraadpleegd. We kunnen dit eenvoudig niet op zijn beloop laten. Het is mijn taak om van de echte Atjehers te vragen zich los te maken van deze onruststokers. We moeten de gewelddadigen scheiden van de gewone mensen, zoals je stenen uit de rijst haalt. Als je de buitenlandse kranten moet geloven zijn we hier bezig onze eigen mensen af te maken. U heeft hier rondgereisd, heeft u daar iets van kunnen merken?''

Ik zeg tegen Hasan dat er overdag geen vuiltje aan de lucht is, maar dat de meeste operaties 's nachts worden uitgevoerd.

Commando's van de elite-eenheid Kopassus omsingelen 's avonds dorpen, dringen de desa's binnen en roepen de mensen bij elkaar. Ze beschikken over namen en hebben foto's bij zich met daarop vaag zichtbare gezichten. Dorpelingen worden aangewezen die de plaats moeten aanwijzen waar verzetsstrijders zich schuilhouden.

Hasan (heftig): ''De onruststokers verschuilen zich achter de dorpelingen. De meeste soldaten komen van Java, ze kennen de mensen niet. Alleen de dorpsbewoners kunnen de terroristen identificeren, want die komen 's nachts het dorp binnen en vragen voedsel. Hoe moeten ze anders worden opgespoord? Ja, tegen de Hollanders was het makkelijk: toen was elk wit gezicht een vijand. Inlichtingenmensen in burger observeren de kampung-bewoners dag en nacht, het valt ze op als er ineens meer mensen in een huis wonen. 's Ochtends, tijdens het gebed in de moskee, gaan de soldaten onder begeleiding van het dorpshoofd een aantal huizen binnen. Wie daar wordt aangetroffen moet uitleggen waarom hij niet in de moskee is.

Als hij een terrorist blijkt te zijn, wordt hij ingerekend.'' Wordt iedereen die zo wordt opgepakt voor de rechter gebracht?

Hasan: ''Niet iedereen. Sommigen worden beschouwd als krijgsgevangenen. Dit is een uitzonderingstoestand, we zijn in staat van binnenlandse oorlog. In de kranten lees ik: er wordt gemoord in Atjeh, de mensenrechten worden geschonden. Welke mensenrechten? Werd er over mensenrechten gesproken tijdens de Golfoorlog? Tijdens vuurcontact komen er mensen om het leven, van beide kanten. Dat is de wet van de oorlog. Buiten gevechtssituaties worden mensen gearresteerd. Sinds de ramadan worden ze berecht. Wie alleen maar onder invloed van hun propaganda staat, wordt vrijgelaten. Onlangs hebben we er bijna tweehonderd op vrije voeten gesteld. We geven hun een training en maken er dorpsmilities van. Velen van hen doen mee; ze gaan voor het leger uit om onruststokers op te sporen.

Zij weten immers waar ze zitten.'' Een aantal wordt opgepakt en weer vrijgelaten, anderen komen voor de rechter, weer anderen sneuvelen in het gevecht. Maar er zijn sterke aanwijzingen dat er nog een categorie is: degenen die worden gedood, maar niet in een vuurgevecht. In september werden 56 mensen uit de militaire gevangenis van Lhokseumawe gehaald en langs de weg van Bireuen naar Takengon doodgeschoten.

Hasan: ''Wie schoot er?'' Ze kwamen rechtstreeks uit de militaire gevangenis. Het ligt dus niet erg voor de hand dat ze door de guerrilla-strijders zijn gedood.

''Er gebeurde van alles in die periode. Er zijn er ook door het verzet doodgeschoten. Op de kleding kun je niet afgaan. Is iedereen in uniform soms een militair? Nee meneer, ook het verzet draagt een uniform en schiet transmigranten dood. Dan zeggen de mensen misschien: dat was het leger.''

Sluit u de mogelijkheid uit dat militairen op deze manier mensen hebben gedood?

''Precies weet ik het natuurlijk niet, maar ik geloof het niet. De militairen hebben immers voorschriften. Volgen ze die niet op, dan is het afgelopen met hen. Ze moeten zich voor elke kogel verantwoorden. Mijn ervaring is dat we met meedogenloze lieden te maken hebben. De mensen beginnen nu zelf ook jacht te maken op de onruststokers. Sommigen worden overgedragen aan het leger. Verstokte sympathisanten uit intellectuele kringen brengen we voor de rechter. Sommigen van hen hebben al twee keer gezeten voor steun aan het verzet. Een van hen, Hasbi Abdullah, is een oud-student van me. Zijn broer is een sterke man van het verzet en woont in Zweden. Zij hebben nauw contact. Toch is hij niet door de militairen gedood, maar keurig berecht.''

Na afloop van ons gesprek leidt de gouverneur mij rond door de pendopo. Om de spanning van het interview te breken wijs ik op de gouverneursportretten in de ontvangsthal en zeg gekscherend: ''Als ik mijn verzamelwoede nu eens niet kan bedwingen en er stiekem een meeneem, welke straf staat me dan in Atjeh te wachten?'' Hasan lacht breed: ''Dan kan ik beslissen of ik u voor de rechter sleep of u onderwerp aan onze adat. Ik zou voor het laatste kiezen. Als u het gestolene teruggeeft en drie maal minta maaf (vergeef me) vraagt, zal ik de politie opdracht geven u te laten gaan.'' Ibrahim Hasan wil de vensters van Atjeh opnieuw openen. Zelfs voor een roofzuchtige Hollander is er vergiffenis.