En onze lieve man en vader

Tegen de heuvel lag een uitgestrekt, pasgemaaid grasveld, dat werd omzoomd door een betoverende bosrand. Daar bewoog zich iets bruins en het bleek een vos, zijn staart bijna net zo lang als hijzelf.

Hij liep zoekend rond en zette het nu en dan op een drafje, wat vanwege hun lichtvoetigheid bij vossen doorgaans een feestelijk gezicht is, maar bij deze niet, want hij trok met zijn rechterachterpoot. Vos met zere poot op klaarlichte dag in open veld - ik begon een klein drama te vermoeden.

Toen ik uit de schaduw kwam, bleef hij staan. Hij keek aandachtig mijn kant op. Mooie oortjes.

Toen ik bovendien op mijn vingers floot, ging hij erbij zitten. Ik constateerde dat zijn gevoel voor humor nog intact was en vervolgde mijn weg.

Zo kwam ik op Heiderust. De poort stond wagenwijd open. Ik herkende de gemetselde muur en de beide eenzelvige gebouwtjes aan weerszijden. Langzaam liep ik het terrein op.

Daar de gevallen Engelse vliegtuigbemanning, daar het monument voor de gesneuvelden van 10 mei 1940. Daarachter verhief zich een wand van brem, rododendron, rode beuk en sparren.

Daarboven zweefden twee buizerds in een vorstelijk blauwe hemel, de een met de klok mee, de ander ertegenin.

Geruime tijd bleef ik doodstil staan. Heuvels, bos, kronkelpaadjes. Sloeg je hier aan het dwalen, dan was je uren zoet. En ik was er zeker dertig, misschien wel vijfendertig jaar niet geweest.

Uiteindelijk besloot ik mijn geheugen maar te vergeten en op mijn voeten te vertrouwen. Rechts naar boven, dan de tweede, derde of vierde afslag en dan maar zien.

Ook op kerkhoven heb je hoofdwegen en achterafstraatjes. Ik kwam in een straatje terecht dat begon in 1936. Verweerde stenen, hier en daar een lege bloemenvaas. Ik las namen die zelden meer werden gelezen en keek naar overlijdensdata die gestaag opliepen, wat een tamelijk verontrustende indruk maakte, want zo verstrijkt de tijd wel erg onverbiddelijk.

Plotseling hield het op. Min of meer in het voorbijgaan was mijn oog op een bepaalde steen gevallen. Kleiner, vierkanter, goedkoper dan ik me herinnerde, maar onmiskenbaar de gezochte.

Ik was er zo naartoe gelopen. Daar mocht ik trots op zijn, maar ik voelde eerder een soort ontgoocheling. Alsof ik mijzelf met die dertig, misschien wel vijfendertig jaar maar een beetje voor de gek had gehouden.

Hier rust onze lieve zoon en broeder Willem Hutgens geb 18 maart 1918 overl 18 aug 1939 - dat was ome Wim, geheimzinnig verdronken in de IJssel, ongeveer daar waar Jan Siebelink De overkant van de rivier heeft gesitueerd.

En onze lieve man en vader Kobus Hutgens geb 7 nov 1893 overl 27 dec 1954 - dat was opa, getroffen door een hartverlamming toen hij met zijn brommer liep te sjouwen; die had hij op slot gezet en hij was het sleuteltje kwijt.

Er was ruimte voor nog een naam op die steen, maar opoe was hertrouwd en werd later op Moscowa begraven. Verder werd er gewag gemaakt van Joh. 13:7, dus dat moest ik thuis maar eens opzoeken.

Ik had eten en drinken en sigaren bij me en ging in het gras zitten. Je hoorde het gebrom van een heel hoog vliegtuig en de klaterende zang van een roodborstje. Merel, vink en zwarte mees. Verder niets dan het gestamp van bosmieren. Pas als zich een specht had gemeld, nam ik mij voor, zou ik vertrekken.

Ik was acht. Ik sliep in een zolderkamertje. In alle vroegte kwam mijn vader op mijn bed zitten. De vorige avond was de wijkagent komen zeggen dat er iets gebeurd was met opa. Ze, mijn vader en moeder, waren ergens heen gegaan en toen ze daar aankwamen, was opa er niet meer.

De volgende dagen brachten we door in de villa in Velp, IJsselstraat 5. Die was anders al sinister genoeg en nu werden ook nog eens de hele dag de gordijnen dichtgehouden. Zo werd het oudjaarsdag. Jarenlang moesten we op oudjaar aan de begrafenis van opa denken. Vuurwerk was er voor mij nooit bij en deze frustratie vond een natuurlijke uitweg in een geweldige aversie tegen vuurwerk.

Een keer had ik een grootvader nodig voor een roman en toen ben ik met mijn oom over opa gaan praten. Hij zei dat Hutgens naar zijn idee van Duitse oorsprong was. Ja, viel mij onmiddellijk in, het is echt een naam voor zo'n Rijnlands verhaal van Boll. Dat maakte het makkelijk je met een Duitse oorsprong te verzoenen.

Mijn oom vertelde ook wat een loodbrander was. Opa deed dat werk in die barre jaren van wederopbouw bij de ENKA. Hij had zich, zei mijn oom, doodgewerkt om het land er weer bovenop te helpen. Dat werd vroeger wel vaker van mensen gezegd en er zat altijd de suggestie bij, dat het land er maar weinig tegenover had gesteld.

Moet ik nu uitleggen hoe een gewone arbeider in een villa kon wonen?

Wel, in de eerste plaats was het maar een halve villa, die bovendien in een niet al te florissante staat verkeerde. En verder was opa geen gewone arbeider. Hij had een cafe gehad en een verhuisbedrijf, een T-Ford voor de oorlog en een van de eerste Nederlandse bromfietsen erna, een Vicky als ik me goed herinner; een deskundige heeft me eens gezegd dat er nooit een bromfiets van dat merk heeft bestaan, maar ik herinner het me toch.

Je kunt natuurlijk ook zeggen dat zoiets als een gewone arbeider helemaal niet bestaat, en dan doet de vraag over die villa zich domweg niet voor.

Het was oudjaarsdag 1954 en ik zat in een auto en mijn God, hoe vaak zat je in een auto in die tijd, en ik gluurde langs het gordijntje en ik zag dat de IJssel was overstroomd, het water stond tot aan de spoorlijn, een grote blinkende vlakte was het, en ik riep opgetogen: 'Kijk eens wat een hoog water'.

Maar ik begreep zelf ook wel dat dit het moment niet was om opgetogen te zijn.

Toen de kist werd neergelaten, begon opoe vreselijk te huilen. ''Ik dacht dat ze in het graf zou springen'', zei ik later tegen mijn moeder. Zij keek me bevreemd aan. Was dit soms mijn eerste poging om een gewaarwording op een literaire manier onder woorden te brengen? Nee, waarschijnlijk had ik gewoon gedacht dat opoe in het graf zou springen.

Ten teken van rouw kregen we een zwart lapje op onze winterjas genaaid, en daarmee heb ik nog maandenlang apetrots rondgelopen.

Opa zei: ''Zucht maar niet jochie, je bent nog niet getrouwd.''

Hij zei 'dotje' tegen mijn moeder. Hij hield opoe ondersteboven toen ze een soepbotje had ingeslikt.

Hij hoestte 's morgens zijn stem kapot en dat kwam, zei men, door het roken.

Ik zat daar ondertussen al een uur en er gebeurde niets. Nu ja, er was een vlinder langsgekomen en ik had tussen de bomen een glimp opgevangen van een langzaam veegwagentje van de gemeentereiniging, het zwaailicht in werking. Het wachten was nog steeds op een specht, het omzichtige, bijna verlegen wroeten van een harde snavel in zacht hout.