Eerste Kamer

Marc Chavannes heeft geprobeerd om aan het overbekende cliche als zou de Eerste Kamer alleen uit schuifelende oude mannetjes bestaan een originele draai te geven. In zijn kroniek 'De Eerste de Beste' (NRC Handelsblad, 1 juni) beschrijft hij zijn eerste kennismaking met dit huis als een traumatische (jeugd)ervaring.

Met alle waardering voor de rest van die Kroniek, ook Chavannes haalt het niet bij wat Chateaubriand in zijn Memoires d'outre tombe over de (Franse) Senaat schreef.

“Men kan een volkskamer in beroering brengen; een kamer van aristocraten is doof. Zonder tribune, besloten, leek voor grijsaards, uitgedroogde restanten uit de tijd van de oude monarchie, de Revolutie en het Empire alles wat een gemeenzame klank had, dwaas. Op een dag waren de stoelen op de eerste rij, vlakbij het spreekgestoelte, bezet door zeer respectabele pairs, de een nog dover dan de ander, het hoofd naar voren gebogen en aan het oor een hoorn met het uiteinde in de richting van het spreekgestoelte. Ik bracht ze in slaap, hetgeen heel natuurlijk was. Een van hen liet zijn hoorn vallen; zijn buurman, wakker geschrokken door de val, wilde heel beleefd de hoorn van zijn collega oprapen; hij viel. Het beroerde was dat ik begon te lachen, ofschoon ik op dat moment heel pathetisch sprak over ik weet niet meer welk onderwerp van het mensdom.” (Je suis nomme pair de France, 1816).

Jammer dat wij ons tegenwoordig met een gehoorapparaat moeten behelpen.