EEN ZWART-WIT-KIJK OP THEO VAN BOVEN

De vuile oorlog. De Argentijnse junta en de mensenrechten door Iain Guest 512 blz., Gottmer - H.J.W. Brecht 1991, vert. Frans en Joyce Bruning (Behind the Disappearances. Argentina's Dirty War Against Human Rights and the United Nations), f 59,50 ISBN 90 230 0736 0

De avond van 8 februari 1982, na het ontslag van Theo van Boven als directeur van de afdeling mensenrechten van de Verenigde Naties in Geneve, heerste er ondanks alle emoties een opgeruimde stemming bij hem thuis. De kogel was door de kerk. Er was eindelijk een beslissing gevallen na maandenlange tegenwerking door VN-lidstaten en door het hoofdkwartier.

Het was kenmerkend voor de openheid en directheid van Van Boven (twee eigenschappen die hem goed beschouwd zijn baan hadden gekost) dat hij een relatief onbekend buitenstaander zoals ik, net correspondent in Geneve, die avond bij zich thuis uitnodigde, terwijl de schok van zijn deconfiture in kleine kring werd verwerkt. Er heerste hevige verontwaardiging bij de aanwezigen, onder wie goede vrienden zoals Isabelle Vichniac, correspondente van Le Monde en Hans Thoolen, destijds medewerker van de Internationale Commissie van Juristen. Zelf probeerde Van Boven kalm de achtergronden te reconstrueren van de controverse.

Tot verbazing van velen concludeerde Van Boven dat zijn eigen compromisloze opstelling in de VN tot een onvermijdelijke climax had geleid. De vraag die hij daarbij zichzelf stelde luidde: waren de Verenigde Naties in de jaren tachtig klaar voor een integere idealist als Van Boven, of was hij zelf wel diplomatiek en flexibel genoeg geweest om zich binnen het strakke keurslijf van de volkerenorganisatie overeind te houden? Zijn slotsom was even genuanceerd als tweeslachtig.

Enerzijds had het de VN-top, onder druk van Latijns-Amerika en de VS, overduidelijk ontbroken aan een volwassen beoordeling van een internationaal ambtenaar die op eigen wijze het VN-Handvest en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens interpreteerde.

Aan de andere kant weigerde Van Boven halsstarrig om zich te conformeren aan diplomatieke omgangsvormen waaraan een internationaal ambtenaar zich nu eenmaal dient te houden. De ambassadeurs van Chili, Zuid-Afrika en Israel weigerde hij de hand te schudden. Als een lobbyist van een particuliere mensenrechtenorganisatie liep hij met een anti-apartheid-button door de wandelgangen. Hij was als VN-ambtenaar bewust een buitenbeentje in een amorf apparaat, dat geen nieuwlichterij duldt. En hij joeg zowel de VS, de Sovjet-Unie, de Latino's als zijn eigen superieuren tegen zich in het harnas. Afgezien van zijn naaste medewerkers, de niet-gouvernementele organisaties en de pers had hij tegen het eind geen vrienden meer over.

BEENTJE LICHTEN

Van Bovens zelfkritiek ontbreekt in Iain Guests zojuist vertaalde boek De vuile oorlog, waarin deze kwestie aan de orde komt. Guest is een Britse journalist die van 1977 tot 1985 correspondent was voor The Guardian en de International Herald Tribune in Geneve. Hij gaat kritiek op Van Bovens methodiek en handelwijze binnen de VN welbewust uit de weg: Van Boven was okay, het was de wereld die niet deugde.

In De vuile oorlog probeert Guest bewijzen aan te dragen voor zijn stelling dat Van Boven zich keurig aan de regels hield, maar dat hij het slachtoffer werd van machinaties en een grote lastercampagne. Zijn boek leest daarom als een thriller - cowboys en indianen in de jungle van het Geneefse Palais des Nations, de good guys tegen de bad guys.

Guest beschrijft hoe Argentinie, dat binnenslands duizenden politieke tegenstanders uit de weg ruimde tijdens de 'Vuile Oorlog' van 1976 tot 1982, er in slaagde deze misdaden in internationale forums met succes te verdedigen dankzij even talentvolle als rucksichtslose diplomaten. Gabriel Martinez, een gewiekst manipulator, is de grote boosdoener in dit boek; Van Boven de wat naeve, maar door en door integere anti-held.

Nu lag in die tijd de grens tussen goed en kwaad inderdaad heel duidelijk. Het was onmogelijk sympathie op te brengen voor regimes in Argentinie, Uruguay of Chili. Maar om de Verenigde Naties zover te krijgen zich effectief met schendingen te bemoeien, daarvoor is meer nodig dan alleen partij kiezen.

Anders dan in dit boek wordt gesuggereerd, is mijn eigen indruk dat Van Boven zich wel erg gemakkelijk beentje heeft laten lichten door gewiekste diplomaten. Temidden van internationale intriges voelde de Nederlander zich als een vis op het droge. Van Boven heeft ook nooit de pretentie gehad een geslepen diplomaat te zijn, maar dat er veel alternatieven zijn tussen het ene uiterste - stille diplomatie - en het andere, een openbare aanklacht ging blijkbaar aan hem voorbij.

Ook Guest heeft daar geen oog voor. Hij legt de klemtoon op het diplomatieke gekonkel binnen de VN-commissie voor de Rechten van de Mens. Hij wijst op kongsi-vorming tussen de Verenigde Staten en de Latino's tegen Van Boven ten tijde van de regering-Reagan, en op de alliantie tussen Argentinie en de Sovjet-Unie, bedoeld om het aanpakken van onfrisse regimes door de VN te verhinderen.

Gebruik makend van vertrouwelijk materiaal, zoals diplomatieke correspondentie tussen hoofdsteden, analyseert hij helder de gebeurtenissen die tot Van Bovens ontslag leidden. Dat Guest in dit boek ondubbelzinnig partij kiest, verhoogt ontegenzeggelijk de leesbaarheid. Het is immers vrijwel ondoenlijk de ondoorzichtige, ingewikkelde procedures van de VN voor de leek op interessante wijze uit te leggen. Guest slaagt daarin dankzij deze consequente zwart-wit-benadering.

Hij selecteert bronnen op hun welsprekendheid en op hun keuze voor of tegen Van Boven. Op die manier neemt hij de oningevoerde lezer vaderlijk aan de hand door de cynische wereld van internationale diplomatie.

Daar tegenover staat dat Guest zich met zijn benadering blootstelt aan kritiek van ingewijden, die volhouden dat de hele affaire veel gecompliceerder in elkaar steekt. Met zijn op journalistiek effect gerichte selectie van feiten haalt hij zich het risico op de hals van vertekening, hoewel hijzelf beweert de waarheid zo dicht mogelijk te benaderen.

IDEALEN In De vuile oorlog worden de achtergronden en de aanloop tot het ontslag ontrafeld van een in feite betrekkelijk lage VN-functionaris (Van Boven was een van de driehonderd directeuren), een ontslag dat tot een internationale cause celebre uitgroeide. Centraal staat de vraag: in hoeverre staan lidstaten VN-ambtenaren toe voor hun idealen uit te komen?

Een valabele vraag, toegegeven, die ook bijna tien jaar na dato relevant is. Maar waarom heeft Guest Van Bovens aanpak boven alle twijfel verheven? Ondanks zijn lofwaardige inzet voor de mensenrechten was Van Boven niet onfeilbaar. Hoewel hij er al in een uitgebreide lastercampagne van was beschuldigd een communistische kliek om zich heen te hebben verzameld, gaf Van Boven deze aantijging voedsel tijdens een bezoek aan Nicaragua. Na de machtsovername door de Sandinisten aanvaardde hij een spreekbeurt op een bijeenkomst die tot een spontane anti-Amerikaanse manifestatie uitgroeide. Zo liet hij zich openlijk door de Sandinisten misbruiken.

Bovendien illustreert een reconstructie van de laatste in een serie van aanvaringen met het hoofdkwartier in New York - de druppel die de emmer deed overlopen - hoezeer Van Boven zich liet meeslepen in de polemiek met de kwade geest Martinez.

Beide antagonisten polariseerden tot in het extreme. In februari 1982 weigerde Van Boven uit een vooraf onder embargo verspreide redevoering een woord te schrappen. Tussen andere Latijns-Amerikaanse staten noemde hij Guatemala bij naam in zijn speech, zonder dat dit land onderwerp was van officiele VN-rapporten over schendingen van mensenrechten. Van Boven sprak van ''talloze lijken die de rivier afdrijven'', en nam klakkeloos beschuldigingen over van niet-gouvernementele organisaties.

BELEDIGEND

William Buffum, naaste man van secretaris-generaal Perez de Cuellar, wees Van Boven erop dat zijn tekst door de lidstaten als beledigend zou worden beschouwd. Van Boven weigerde iets te wijzigen, hoewel hij er ten slotte mee akkoord ging de rede op persoonlijke titel uit te spreken.

Van Bovens naaste medewerker John Pace houdt tot op heden vol dat hij zijn superieur dringend had aangeraden de gewraakte passages over Guatemala te schrappen. Van Boven was niet te vermurwen en draaide aldoende zelf de strop die door Martinez om zijn nek was gelegd, vaster aan. De VN-gezant van Guatemala stapte onmiddellijk op Martinez af, die de zaak 'hogerop gooide'. Diezelfde middag nog lag er een telex op het bureau van William Buffum. Daarmee was de maat vol, ook voor Perez de Cuellar. Twee dagen later kreeg Van Boven te horen dat zijn contract niet werd verlengd.

De grootste verdienste van Guests boek is dat het internationale diplomatie in de jaren zeventig en tachtig inzichtelijk maakt. Jammer dat de wereld van de jaren negentig veel minder eenvoudig in elkaar zit. Blokvorming in de commissie voor de Rechten van de Mens behoort sinds het verdwijnen van de Oost-West-tegenstellingen nagenoeg tot het verleden. Uitbreiding van de commissie, volgend jaar, van 43 tot 53 leden - alle afkomstig uit de Derde Wereld - zal de stemmingen over resoluties aanzienlijk compliceren en de voorspelbaarheid ervan verkleinen.

Voor mij roept Guests goedgedocumenteerde boek na lezing een interessante vraag op: zou eenzelfde affaire-Van Boven in de Verenigde Naties tegenwoordig ook mogelijk zijn ? Ik vrees van wel. De lidstaten mogen zich dan nu wel anders opstellen, het VN-secretariaat is in die jaren niet erg veranderd, en net als andere grote organisaties is het zeer gevoelig voor vriendjespolitiek en intriges. Wel is het mensenrechtenapparaat van de VN sterk uitgebreid en verbeterd.

Nu is het inderdaad mogelijk individuele lidstaten aan de schandpaal te nagelen.

Ik onderschrijf de stelling van Guest dat, om succes te behalen als voorvechter van de mensenrechten, de VN het hoofd moeten kunnen bieden aan regeringen. Voor dat laatste is meer moed nodig dan die van een enkele VN-ambtenaar.