DE ACTUALITEIT VAN VOSSIUS EN HUGO DE GROOT

Denken over oorlog en vrede door Hugo de Groot 170 blz., Ambo 1991, vertaald en ingeleid door A. C. Eyffinger en B. P. Vermeulen, f 29,50 ISBN 90 263 0885 X Geschiedenis als wetenschap door Gerardus Vossius 152 blz., Ambo 1990, vertaald en ingeleid door Cor Rademaker, f 27,50 ISBN 90 263 0886 8 Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland delen 8 en 9

Op de leeftijd waarop nu jongens en meisjes voor het eerst op een brommer mogen rijden had de in 1583 geboren Hugo de Groot al het een en ander achter de rug. Vanaf zijn achtste schreef hij poezie in het Latijn, op zijn elfde begon hij een letterenstudie aan de Leidse universiteit, in 1598, op vijftienjarige leeftijd, adviseerde hij Oldenbarnevelt tijdens een diplomatiek bezoek aan Frankrijk en een jaar later promoveerde hij te Orleans in de rechten om zich vervolgens als advocaat in Den Haag te vestigen.

De Groots jeugdige begaafdheid is niet helemaal representatief - zijn tijdgenoot Vossius promoveerde pas op zijn eenentwintigste - maar zijn veelzijdige belangstelling en bekwaamheid als jurist, filosoof, historicus, diplomaat, classicus en theoloog is wel typerend voor enkele generaties Nederlandse humanisten, van Agricola tot Coornhert en van Erasmus tot de genoemde Vossius.

De Groot hield zich uitvoerig bezig met een aantal bestuurlijke en juridische problemen uit zijn tijd. Die waren niet gering: de jonge Republiek verkeerde in een langdurige oorlog tegen Spanje en werd door interne conflicten en godsdiensttwisten verdeeld. Van die binnenlandse strijd werd zowel De Groot als Vossius, die het voor de remonstranten hadden opgenomen, het slachtoffer. Na de Synode van Dordrecht in 1618 werd Vossius ontslagen als regent van het Leidse Statencollege en Hugo de Groot zou de rest van zijn leven op Slot Loevestein hebben doorgebracht als hij niet enkele jaren later in de befaamde boekenkist had weten te ontsnappen.

KAPING In buitenlandse aangelegenheden was De Groot inmiddels herhaaldelijk als pleitbezorger van de Republiek opgetreden.

In opdracht van de Verenigde Oost-Indische Compagnie had hij in De jure praedae het kapen van een Portugees schip verdedigd, volgens hem een geoorloofde krijgshandeling. Uit de tijd voor zijn gevangenneming stamt ook een historisch geschrift, dat de onafhankelijkheidsoorlog van de Zeven Provincien moest legitimeren.

De Groot staat echter beter bekend als jurist en rechtsfilosoof. Als een van de eersten ging hij uit van een onveranderlijk, op de menselijke rede gebaseerd natuurrecht, dat onafhankelijk behoorde te zijn van theologische vooroordelen. Zijn standaardwerk De jure belli ac pacis (1625), waaruit nu een bloemlezing is verschenen, vormt nog steeds een grondslag voor het huidige oorlogsrecht. In het proces tegen Eichmann baseerde de aanklager Hausner zich bij voorbeeld grotendeels op De Groot, en wie diens Denken over oorlog en vrede leest met de Golfoorlog in het achterhoofd, vindt voor de verschillende partijen op maat gesneden rechtvaardigingen. Zo probeerde Saddam Hoessein zich te beroepen op 'het terugkrijgen van eigendom' en 'vordering van hetgeen ons verschuldigd is' als juiste gronden van oorlog.

Koeweit en de geallieerden konden na de inval van Irak dezelfde gronden van De Groot aanvoeren ter rechtvaardiging van een gewapend treffen. Daarnaast 'zelfverdediging' en 'straf', alsook de in dit boek geformuleerde regel dat een oorlogsverklaring aan een land eveneens een oorlogsverklaring aan de bondgenoten van dat land is.

Cruciaal is natuurlijk of Koeweit 'eigenlijk' eigendom van Irak was. Om dat uit te maken is geschiedenis belangrijk.

Daarom ook had De Groot een geschiedenis van de Republiek geschreven: hij liet zien dat haar soevereiniteit al uit de tijd van de Batavieren stamde. Die eigen, historisch verankerde identiteit gaf de Zeven Provincien het recht zich tegen de Spaanse heerschappij te verzetten.

HEILIGENLEVENS

Geschiedenis kwam (en komt) dus van pas in de argumentatie voor politieke stellingname. Maar volgens de renaissance schuilt het grootste nut van de geschiedenis erin dat we ervan kunnen leren. Voor Gerardus Vossius (1577-1649) was dat een vanzelfsprekend uitgangspunt. De tolerante eruditie van deze humanistische historicus beperkte zich niet tot een voor eigen kerk of staat bruikbare canon van traditionele geschriften.

Zijn aandacht ging ook uit naar andere schrijvers uit de Oudheid en zelfs naar de door hervormden en humanisten vaak zo bespotte katholieke heiligenlevens, die de mens eveneens een spiegel voor konden houden: ''Daarin worden zoveel beroemde uitspraken en daden van heilige bisschoppen vermeld, zoveel voorbeelden van standvastigheid bij martelingen: kruisiging, verminking en vuur. Maar tegenwoordig worden er helaas nog nauwelijks mensen gevonden die het lezen daarvan de moeite waard vinden, tot niet geringe schade voor de vroomheid.''

Volgens Vossius is geschiedenis kennis van die dingen ''waarvan het nuttig is die in het geheugen te bewaren met het doel goed en gelukkig te leven''. In zijn rede bij de opening van het Atheneum Illustre (voorloper van de huidige Universiteit van Amsterdam) in 1632 schreef hij dat nut toe aan het opwekken tot godsdienstigheid, aan toenemende kennis van de natuur en aan de wijsheid die we kunnen putten uit de bestudering van het menselijk handelen. Geschiedenis geeft ons voorbeelden van grote figuren, die overigens ook elkaar tot roemruchte daden inspireerden.

Vossius schetst een curieuze historische keten van zulke illustere mannen: Achilles bezong de daden van zijn voorvaderen, aldus Homerus die zelf weer Achilles roemde.

Alexander de Grote verborg op zijn beurt 'Homerus' boek onder zijn hoofdkussen'. De faam van Alexander maakte later echter Caesar jaloers, die, toen hij in Spanje een beeld van de beroemde veroveraar zag, verzuchtte dat hij nog niets had gepresteerd op de leeftijd waarop Alexander de wereld al aan zijn voeten had liggen. Aan het eind van deze heldenestafette noemt Vossius (en het illustreert zijn ruime blik) de zestiende-eeuwse 'barbaar' Soelaiman. Toen die Caesars heldendaden in het Turks had laten vertalen ''ontwikkelde hij zich door zijn bewondering voor hem tot zo'n groot man, dat hij grote stukken van Afrika en Azie toevoegde aan het rijk van zijn voorvaderen''.

Of de ideeen van Vossius nog even actueel zijn als die van Hugo de Groot, valt te betwijfelen. De inleider wil dat te graag en dat levert een anachronistisch beeld op, waarin Vossius prompt wordt verweten dat hij zijn 'wetenschapstheoretische' opvattingen niet expliciet maakt, en dat hij zich te exclusief richt op het nut van de geschiedenis. Maar wetenschap en geschiedenis zijn in de zeventiende eeuw volstrekt andere verschijnselen. Als je Vossius zijn renaissanceperspectief op geschiedenis kwalijk neemt, kun je net zo goed Luther verwijten dat hij zo onhandig die stellingen op een kerkdeur stond te spijkeren in plaats van de Evangelische Omroep in te schakelen.

Rademaker had beter kunnen onderstrepen hoe leuk het is eens kennis te nemen van die karakteristieke renaissance-eruditie van Vossius, dan hem af te beelden als een hedendaagse, tekortschietende geschiedtheoreticus. Daar komt bij dat zijn inleiding hetzelfde manco vertoont als die op het boek van De Groot, een gebrek dat het handelsmerk van veel delen van deze verder prachtige serie Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland lijkt te zijn. In plaats van de lezer met enige cultuurhistorische en biografische gegevens te enthousiasmeren, wordt een drempel opgeworpen van wetenschappelijk bedoelde dorheid.

De nu bijna voltooide reeks wil de onderbelichte geschiedenis van de Nederlandse filosofie onder de aandacht brengen door oorspronkelijke teksten van vaderlandse denkers opnieuw uit te geven en in te leiden. De redactie schuwt daarin echter zoveel mogelijk zowel de petite histoire als het grote gebaar, waarschijnlijk vanuit die typische filosofenangst 'triviaal'

te zijn. Misschien is het toch niet de onderschatting van het eigen nationale erfgoed die de Nederlandse filosofie van de afgelopen eeuwen de das heeft omgedaan, maar eerder juist de verheven eerbied voor zichzelf.