Bij Provo ging het niet om een generatieconflict

In juni is het precies vijf en twintig jaar geleden dat de jaren zestig in Nederland tot een hoogtepunt kwamen. De Tres-affaire - een ontgroeningsschandaal van Utrechtse studenten - trok alle aandacht, Peter Schats 'Labyrinth' ging in premiere en op 14 juni ontstond een klein oproer in Amsterdam dat uiteindelijk leidde tot het aftreden van de hoofdcommissaris en de val van burgemeester van Hall. Wat maakte, achteraf gezien, die gedenkwaardige junimaand van 1966 zo belangrijk? Als derde in deze serie de Utrechtse cultuurpsycholoog Ruud Abma.

AMSTERDAM, 8 JUNI. “In juni 1966 zat ik in de vierde klas van het gymnasium in Eindhoven.

Rapportentijd. Met een schoolbandje speelden we muziek van The Animals en de Stones in het parochiehuis. Als versterker gebruikten we een paar oude radio's, aan elkaar geschakeld. We kregen in Eindhoven soms het alternatieve popblad Hitweek, dat namen we heel serieus.

Ruud Abma, cultuurpsycholoog en onlangs gepromoveerd op de protestcultuur van de jaren zestig, was in die woelige tijden zelf, zoals hij nu zegt, “eigenlijk een heel braaf jongetje”

Wel was hij een fan van Bob Dylan, met zijn romantische, zwerfachtige teksten. “Bob Dylan was een van degenen die het spoor van de subculturen uit de jaren vijftig doortrok naar de jaren zestig. Al realiseer je je dat natuurlijk pas veel later.”

“Stel je de groep studenten uit de TV-serie Bij Nader Inzien maar voor,” zegt Abma, als hij de 'ondergronde traditie'

beschrijft die er al in de jaren vijftig heerste: studenten en artiesten die een bohemien-achtig bestaan leidden, genspireerd door de Franse existentialisten en de Amerikaanse Beat-beweging. “Dat je elementen daarvan terugvindt in de levensstijl van de Provo- en hippiebeweging - bijvoorbeeld het drinken en feesten en praten over de zin van het leven - is niet toevallig. Net zoals het gedachtengoed en de aktievormen van de latere studentenbeweging gedeeltelijk een voortzetting zijn van de anti-atoombom betogingen uit de late jaren vijftig.” Bewegingen die weer zijn geent op nog oudere bewegingen. “Sinds onze cultuur in het teken staat van het vooruitgangsgeloof is er altijd een onderstroom geweest van mensen die daar vraagtekens bij zetten, die de nadruk legden op bijvoorbeeld gemeenschapszin en andere waarden. Vooral onder de jeugd.”

Voor het ontstaan van iedere cultuur is het nodig dat grote groepen mensen langere tijd met elkaar te maken hebben, en voor de jeugd geldt dat net zo. De eerste jeugdculturen ontstonden dan ook op scholen en universiteiten. Daarnaast speelt de stad een belangrijke rol: in stedelijke gebieden hebben jongeren meer mogelijkheden om een eigen leven te leiden en bovendien worden ze vaker aan hun lot overgelaten.

In Les Miserables van Victor Hugo wordt bijvoorbeeld een prachtige beschrijving gegeven van zo'n jeugdcultuur, midden in het Parijs van de vorige eeuw. Of, zoals het blad Jeugd en Samenleving in een recent nummer over jeugdculturen schreef: “Studenten en straatschoffies zijn het middelpunt van iedere revolutie.”

Zoals alle culturen kunnen ook jeugdculturen beschouwd worden als overlevingsstrategien, als tegenculturen - bijvoorbeeld de punk- en kraakwereld - , soms ook als veilige havens in tijden van onrust - bijvoorbeeld de dromerige Teeny-Bopper cultuur uit het begin van de jaren zestig, die zich voornamelijk binnen de vier muren van meisjeskamers afspeelde. Het komt echter zelden voor dat een jeugdcultuur zo'n explosief mengsel vormt als in de jaren zestig. Abma: “Die nozems, waar men zich in de jaren vijftig zo druk over maakte, waren uiteindelijk niet veel meer dan arbeidersjongeren die na het werk op straat rondhingen en wat achter de meisjes aanzaten.

Snackbar, cafetaria, straathoek, bioscoop, stadscentrum, dat was toen zo, dat was in de jaren dertig zo, en dat is nu in grote lijnen nog zo. De nozems waren absoluut geen voorlopers van de Provo-beweging. Provo heeft hooguit geprofiteerd van het beeld dat de nozems opriepen: dat van de jeugd als een onafhankelijke, bijzondere groep. En natuurlijk, de nozems hadden de straat herondekt.” Volgens Abma ging het, in tegenstelling tot wat de meeste mensen nu denken bij Provo helemaal niet om een generatieconflict. “De jaren-zestig beweging zou nooit zoveel effect gehad hebben als er niet de - stilzwijgende - steun van oudere generaties was geweest: ouderen die daarin de idealen van hun vroegere jeugdbewegingen herkenden, de dertigers en veertigers die zelf ook wel voelden dat er iets moest gebeuren en die voor een deel ook de media beheersten. Een jeugdbeweging die alleen maar door jongeren gesteund wordt maakt echt niets klaar.”

Jong en oud speelden volgens Abma wel mee als tegenstelling, maar dat was alleen maar een afgeleide van andere, meer wezenlijke conflicten binnen de maatschappij van die dagen. De Provo's wezen haarscherp op de breuken in de cultuur van de ouderen zelf. Ruud Abma:“Ze sloegen daarom ook zo in, omdat ze, intutief, op een geniale manier op twee kaarten speelden.

Ze wezen op de onhoudbare situatie die was ontstaan toen aan de ene kant de welvaart en de ontplooiingsmogelijkheden opeens snel toenamen, terwijl aan de andere kant de moraal nog bijna net zo zuinig, preuts en autoritair was als in de jaren dertig.” Maar tegelijk staken de Provo's ook de draak met 'de roomkloppers, de TV's en de ijskasten van het klootjesvolk', waarmee ze teruggrepen op die oude culturele onderstroom van het anti-vooruitgangsdenken. Abma: “Daardoor kwamen ze precies op het kruispunt te staan van twee ontwikkelingen die toen hoogst aktueel waren. Ze werkten en als katalysator van de vooruitgang, en als romantisch geweten van de natie.”

“Provo was een typisch Amsterdams fenomeen, maar heel Nederland was er rijp voor.” Wat waren de andere factoren die het buskruit aandroegen voor de explosie van de de jaren zestig? Abma noemt de media, vooral de TV, waardoor het gedrag van een kleine minderheid een enorme uitstraling kreeg - “De provo's hadden een perfect gevoel voor beelden, en dat werd door de toenmalige TV-makers dankbaar opgepikt” - , het hardhandige optreden van de politie dat die beelden van een autoritair en star land nog eens verstrekte, en vooral ook de komst van tienduizenden nieuwe studenten naar de grote steden.

Vooral dat laatste verklaart volgens hem de massaliteit van sommige manifestaties. Juist terwijl Provo bezig was stroomden ook grote aantallen nieuwkomers de steden binnen, vaak uit eenvoudige milieus, die - onbewust - naar nieuwe levensvormen en sociale verbanden zochten. Abma: “Er gebeurden allerlei opwindende dingen die de wortels van onze cultuur raakten, en tegelijk liep daaromheen toevallig een grote groep jongeren die daar uiterst ontvankelijk voor was.”

En hijzelf? “Thuis zeiden ze wel: Hee, ga eens naar de kapper,” maar veel verder ging het allemaal niet. Ach, zo ging het waarschijnlijk met de meeste oudere Nederlanders, die nu trots tegen hun kinderen roepen dat 'ze erbij waren'.”