Beiroet (1)

Gisteravond kwam ik de naam weer tegen. Hotel Commodore. In Saigon had je zo'n hotel, in Pnom Penh, in Managua.

Het zijn de hotels van de oorlogscorrespondenten, de filmcrews, de fotografen en de wapenhandelaren. Daar hoor je het eerst wie er vermist is of doodgeschoten. John le Carre beschrijft het en hij is er geweest, in kamer 607, toen hij het boek The Little Drummer Girl schreef. En nu, in The Secret Pelgrim, voert hij ons terug naar die tijd van autobommen en dagelijks geweld, van de groene lijn des doods, van Beiroet.

Ik kwam 's middags in Amman aan en zou doorvliegen naar Beiroet - op weg naar een stuk over Zuid-Libanon, over de stad, de tegenstellingen die ik al kende zonder er geweest te zijn. Soms zie je steden beter als je er niet bent, ongehinderd door de nabije explosies, het stof en het idee dat het daar allemaal gebeurt, om je heen, en jij bent er bij, met je pen en je camera, je mag het vastleggen, die hel, die destructie, die omwenteling waar de toekomst van afhangt, misschien dan niet van de hele wereld dan toch zeker van het Midden-Oosten, waar jij nu middenin staat. Hier, in de Libanon, vanouds de grens van Oost en West, precies op die plaats gebeurt het. Wie hier een patroon, een systeem kan vinden in de ogenschijnlijk zinloze chaos, de lijn ziet naar de toekomst, kan uitleggen wie met wie vecht en waarom, is de ware correspondent. Our man in Beiroet.

Het was, zei de captain vlak voor we in Jordanie landden, een graad boven nul. Even dacht ik nog dat hij zich vergiste, maar op Amman Airport was het een drukte van belang: de weg over de Libanese grens was dichtgesneeuwd en nu moesten alle kooplieden, terroristen en schaapherders, zo te zien met hun schapen mee met het vliegtuig. Mijn vliegtuig. Ik mocht zelf gelukkig ook mee en bevond me dus meteen in het Midden-Oosten.

Dit was het, je kreeg niet te eten van de stewardess maar van elkaar. Daar was je nu voor ingeent.

Met groot inzicht had het departement van defensie in Den Haag mij de naam van een betrouwbare taxichauffeur opgegeven, een kostbare wetenschap, want je band met Beiroet, de omgeving en dus leven of dood hangt af van de vervoerder. Lange afstanden lopen wordt afgeraden. Maar die betrouwbare man stond natuurlijk niet aan het vliegveld. Vruchteloze telefoontjes uit Nederland naar zijn adres hadden niets opgeleverd. Bent u, weet u, kent u Ahmed Rasoul, vroeg ik nog hoopvol, rekenend op mijn meestal goede gesternte, aan de zeer onbetrouwbare groep chauffeurs met hun uiteenvallende auto's.

''Ja,'' riep er een vooraan, ''dat is mijn broer! Komt u maar mee.'' Gelukkig meldde zich nog een broer, zodat ik argwaan kreeg en me in het stationsgebouw op de hoogte ging stellen van de geldende ritprijs. Tien dollar zei een geuniformeerde beambte. Naar het Commodore? Ja. Tien. En geen cent meer.

Ik stapte in bij wat in Amsterdam de eerste man heet, en daar hobbelden we, letterlijk want de weg was vol granaatinslagen, richting stad. Bij alle roadblocks - ik zou later de benodigdheden voor een roadblock horen: twee man en een pistool - deed de chauffeur het lichtje achterin aan en werd ik vergeleken met mijn paspoortfoto, dit vanwege het heersende analfabetisme. Na ongeveer vier stops en een half uur later arriveerden we bij het befaamde hotel, op het oog nog ongeschonden. Ik stapte uit en vroeg hoeveel het was. Vijftien dollar. Ik liet een holle lach horen. Nee, nee, tien dollar.

Denk eens aan de roadblocks, aan het gevaar, aan de snipers, riep de man vertwijfeld, nee vijftien. Om van het gezeur af te zijn gaf ik hem elf dollar en probeerde mijn bagage te pakken.

Niets daarvan, riep de chauffeur in het Beiroets, vijftien dollar.

Er begon zich een kleine menigte te vormen. Deuren gingen open, auto's bleven stilstaan, moeders trokken hun kinderen weg. Iedereen wilde die Hollander wel 's zien, want over mijn nationaliteit bestond na de woordenwisseling geen misverstand.

De portier trad naderbij. Heeft u nog een losse dollar? vroeg hij. Die had ik. Hij gaf hem aan de chauffeur en pakte resoluut mijn bagage beet. De taxi nam scheldend afscheid en ik mocht het hotel in.

(Later, na afloop van de reis, toen ik Ahmed al lang had gevonden en hij me ten slotte naar het vliegveld reed, vroeg ik hem voor de aardigheid wat een losse rit naar het vliegveld kostte, in dollars. Vijftien, zestien zei hij. Hoe zo?) (Wordt vervolgd)