Accentverschil

Er was natuurlijk meer aan de hand dan alleen een 'accent-verschil' tussen een paar ministers van de Kroon over de kwestie-Suriname.

Op zichzelf is reeds een in het openbaar gebleken accent-verschil vrij bedenkelijk - ofschoon minder bedenkelijk dan regelrechte onenigheid - maar de deze week terecht door de Tweede Kamer besproken tegenstrijdige uitlatingen van de ministers Lubbers en Van den Broek zijn in wezen te herleiden tot een gebrek aan constitutionele zin, zoals dat in het jongste verleden ook bij andere gelegenheden en bij andere bewindslieden wel eens tot uiting is gekomen.

Sinds het midden van de vorige eeuw bestaat het beginsel van de ministeriele homogeniteit, tot 1983 erkend als ongeschreven constitutionele regel, sindsdien - op overigens niet al te duidelijke wijze - in de Grondwet zelf vastgelegd. (Artikel 45: “De Ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid”). Eigenlijk zouden alle ministers en staatssecretarissen de tekst van het desbetreffende Grondwetsartikel boven hun bed hebben moeten hangen.

Bewindslieden leggen bij hun ambtsaanvaarding een eed op de Grondwet af, maar ach, wat helpt zo'n formaliteit als de juiste gezindheid ontbreekt? De tekst van Artikel 45 laat bovendien nogal wat vragen open. De bepaling van wat tot het algemeen regeringsbeleid behoort is in elk geval een bevoegdheid van de regering, dus van koning en ministers gezamenlijk; wij kennen in ons land geen kabinetsbeleid, maar regeringsbeleid. Misschien ten overvloede mag ik hierop nog eens wijzen.

Ten slotte: dringt de motie van D66 inderdaad aan op de 'eenduidigheid' van het beleid? Het woord 'eenduidig' is volgens mij een germanisme.