Zij zoekt haar vader, hij zijn broek; Twee Australische romans

Janette Turner Hospital: Charades. Vert. door Marian Lameris. Uitg. Furie In de Knipscheer, 393 blz. Prijs f 39,50.

B. Wongar: De weg naar Bralau. Vert. door Regina Willemse. Uitg Bridges Books In de Knipscheer; 130 blz. Prijs f 25,-.

Het duurt meestal wel even voordat een Australische schrijver door middel van vertalingen in Nederland kan doordringen en in het geval van Janette Turner Hospital is een kleine klacht zeker op zijn plaats.

Ze is nu negenenveertig en heeft in tien jaar tijd vijf boeken gepubliceerd, vier romans en een bundel verhalen, die allemaal een veel grotere bekendheid verdienen dan ze hier hebben. Haar laatste roman, Charades, uitgekomen in 1989, is nu in het Nederlands verschenen in een soepele en accurate vertaling. Mijn enige bezwaar is dat de rauwe kracht van het Australisch af en toe verzwakt wordt tot te keurig Nederlands.

Charades is een buitengewoon originele roman waarin een jonge vrouw als een herrezen Sheherazade haar minnaar, een fysicus die Koenig heet, bestookt met verhalen over haar jeugd. Ze doet dat niet om haar hoofd te behouden, maar om de raadsels van haar afkomst te ontsluieren. Ze heeft Koenig als minnaar gekozen omdat ze vermoedt dat hij haar familie heeft gekend en iets van het mysterie afweet.

Onvermoeibaar probeert ze hem in hun postcoitale stemmingen tot reacties te dwingen. In het begin reageert hij stroef en zoekt naar zijn broek of staat al met zijn das te hannesen maar Sheherazade, die hier Charade heet, gaat rusteloos door met praten, vertellen, vragen.

Het is merkwaardig dat de grootste praters die ik tot nu toe in de literatuur ben tegengekomen, allebei van Australische komaf zijn, Nellie Cook uit Cotter's England en Sam Pollit uit The man who loved children, allebei van Christina Stead. Die hebben nu in Charade een verwante geest gevonden, met het verschil dat Charade niet satirisch bijtend of spottend praat, maar poetisch, beeldend en onderzoekend.

Romans en verhalen over het zoeken naar een onbekende vader of moeder zijn niet bepaald schaars, maar het boek van Janette Turner Hospital steekt ver boven de middelmaat uit door de energieke inventiviteit van de verhalen en de manier waarop steeds weer nieuwe figuren, allen met hun eigen stijl van vertellen via Charade aan het woord komen. De naam Charade wijst niet alleen op Sheherazade, maar betekent ook het uitbeelden van een situatie of gebeurtenis. En dat is wat Charade doet: ze laat Koenig zien hoe haar moeder Bea, een vrouw die tien kinderen had bij tien verschillende mannen, en haar tante Kay en de raadselachtige Nicholas vroeger geleefd hebben. Daarmee geeft ze niet alleen een beeld van die mensen en hun gecompliceerde onderlinge verhouding, maar ook een erg mooi tijdsbeeld van Australie tijdens en kort na de oorlog.

Zo samengevat lijkt het allemaal misschien gezocht en schematisch en dor, maar dat is het allerminst. Charades is een levendige, springerige, bijzonder vitale roman vol verrassingen watrin het geluid van allerlei soorten Australiers te beluisteren is: van hen die er geboren zijn en van anderen die niet lang na de oorlog aankwamen en de herinnering aan de bezetting, de ster op de jas en de vlucht met zich mee blijven dragen. Er is ook een categorie Australiers die in dit boek niet wordt gezien, en dat zijn de aborigines, de oorspronkelijke bewoners. Die komen aan bod in de verhalenbundel van Wongar die al in 1978 is verschenen en pas nu, heel goed, in het Nederlands is vertaald.

Met De weg naar Bralgu staan we helemaal aan het begin van de zwarte Australische literatuur. Wie naar vergelijkingsmateriaal zoekt, zou kunnen denken aan de zwarte Afrikaanse literatuur van een jaar of dertig geleden. Toch ligt de beknopte, zakelijke en soms ook lyrische stijl van Wongar dichterbij de blanke literatuur dan bij die van zwart Afrika, die vaak woordenrijk en los van zinsbouw is. Wongar schrijft heel precies en is zuinig met zijn woorden. Elk verhaal klinkt als een lamento over de verstoring van de inheemse cultuur. Er zijn verhalen die een elegische klank hebben, andere trillen van woede. De meeste verhalen zijn sterk claustrofobisch en zien het leven vanuit een afgesloten ruimte, een gevangenis, een tunnel of een gat in de grond.

In bijna elk verhaal keert het thema terug van het land dat verloren is, in beslag genomen door de blanken die er hun mijnen zijn gaan graven en er hun fabrieken hebben gebouwd en de toegang tot de heilige gronden hebben versperd.

In het verhaal over een aboriginal dominee die overleden is en daarna door zijn vrienden wordt aangesproken, zegt er een: "Er is geen land meer om je in te begraven." Alles is opgeslokt door de aluminiummaatschappij. Hoe christelijk die dominee ook is geworden, hij zint op wraak. In een ander verhaal wordt dank gebracht aan een orkaan die gelukkig wel veel vernield heeft, maar te laat is gekomen om de blanken met hun bulldozers en helikopters te verjagen.

Van het land krijg je in deze verhalen weinig te zien behalve uitgedroogde rivierbeddingen en enorme stofwolken. Janette Turner Hospital, die vanuit de andere cultuur schrijft, ziet wel de pracht van het landschap en de rijkdom van de regenwouden bij Brisbane. Voor haar is Australie nog onmetelijk groot en rijk, voor de aboriginals is het een kaalgekapt, platgewalst lapje grond waar de blanken alles uitgehaald hebben wat erin zat.