Zij droeg een jurk met blauwe bloemen; De verloren jeugd van Jean-Paul Franssens

Jean-Paul Franssens: Een gouden kind. Uitg. De Harmonie, 158 blz. Prijs (f) 27,50

De vorige week verschenen roman Een gouden kind van Jean-Paul Franssens hoort in zekere zin thuis in een rijtje romans over een verloren jeugd. De roman die op de achterflap nadrukkelijk wordt aangeprezen als de eerste autobiografische roman van Jean-Paul Franssens, beschrijft de lotgevallen van een zeventienjarige jongen die bij de begrafenis van zijn moeder terugdenkt aan zijn eerste kindertijd, de tijd toen alles nog goed was tussen zijn moeder en hem.

Ooit was hij haar 'gouden kind': van alle mensen hield zij het meest van hem.

Toch is het verlies van de onschuld maar een van de aspecten van het boek en niet het interessantste. Sinds de gouden dagen van zijn jeugd is er met het jongetje van toen veel veranderd. Niet alleen is hij, zoals de meeste jongetjes van toen, ouder geworden, waardoor de natuurlijke symbiose tussen moeder en kind is opgelost. Er hebben zich ook andere en meer dramatische gebeurtenissen in zijn leven voorgedaan. Als de jongen vijftien jaar is, blijkt hij aan een hersentumor te lijden. Hij moet hals-over-kop in een ziekenhuis worden opgenomen voor een verschrikkelijke chirurgische ingreep.

Tijdens die ingreep wordt hij zich dan ten volle bewust van een andere belangrijke oorzaak van zijn ongeluk. Hij staat sinds een aantal jaren zeer ambivalent tegenover zijn ouders. Hij bewondert hen, maar hij schaamt zich ook voor hen. En met reden. Hij schaamt zich voor zijn vader omdat deze in de oorlog bunkers heeft gebouwd voor de Duitsers.

Na de oorlog is hij onmiddellijk gearresteerd en weggevoerd naar een strafkamp.

Knoetje Voor zijn moeder schaamt de jongen zich ook. Maar dan om tegenovergestelde redenen. Haar verwijt hij juist dat ze te weinig heeft gedaan. Ze is niet in staat geweest weerwerk te bieden tegen de omstandigheden. Hij ergert zich nu aan haar treurigheid en de schichtige manier waarop ze over straat gaat: het haar in een knoetje, de grijze jas dichtgeknoopt tot aan haar hals. “Wat een verschil met vroeger. Ik herinner me haar nog in een jurk met blauwe bloemen en met een witte zomerhoed op. Een wit kraagje van kant. Een witte leren handtas. Alles paste bij elkaar. Schoenen met blokhakken en blauwe knoopjes. Waar heeft ze die kleren gelaten?”

Hoe gecompliceerd het leven voor de jongen is, laat Franssens zien wanneer hij de schaamte die hij voor zijn ouders voelt nader benoemt.

Hij schaamt zich niet alleen voor hen, schrijft Franssens, hij schaamt zich ook nog voor de schaamte die hij voor hen heeft.

Meer dan een boek over een verloren jeugd is Een gouden kind een boek over een onmogelijke loyaliteit. Aan de ene kant voelt de jongen zich verplicht neer te kijken op een vader die er, zoals wordt gezegd, toe heeft bijgedragen dat er aan het einde van de oorlog nog eens honderdduizenden mensen extra stierven. De onderwijzer maakt er in de klas te pas en te onpas toespelingen op. Tegelijkertijd is hij gevoelig voor de wensen van zijn vader, die wil dat hij trots op hem is. Hij heeft tenminste zijn nek uitgestoken, al was het dan naar de verkeerde kant. Hij heeft de oorlog tenminste bewust meegemaakt.

Een gouden kind is een aangrijpend boek. Het lijkt zo makkelijk, een tragische geschiedenis die zichzelf vertelt, maar aan alles zie je hoe de schrijver geprobeerd heeft de beste vorm te vinden voor zijn netelige ervaringen. En met resultaat. Het wordt nergens te dramatisch. Er is bijna steeds een goed evenwicht tussen beschrijving, citaten, en reflectie.

Het meeste wordt door de jongen zelf, direct, in de tegenwoordige tijd verteld, maar af en toe wordt zijn verhaal onderbroken voor een vertelling van een ander. De vader komt een paar keer aan het woord, en ook de zoon van de slager, in een lang citaat dat op zichzelf bijna een nieuw verhaal wordt. Het verhaal wordt daardoor even opgehouden.

De spanning blijft bestaan.

ZIEKTE

Geslaagd is ook dat Franssens gebruik maakt van wat je een 'innerlijke dialoog' zou kunnen noemen: eerst geeft hij de overwegingen van zijn hoofdpersoon, vervolgens enkele tegenovergestelde overwegingen die van dezelfde persoon afkomstig zijn.

De roman bestaat eigenlijk uit drie verhalen die elkaar door het boek heen afwisselen. Er is de ziektegeschiedenis, de gang langs de doktoren, het verblijf in het ziekenhuis, het werk van de chirurg, de gesprekken met verpleegsters en medeverpleegden. Dat is de raamvertelling. Daarbinnen zijn er twee andere verhalen. Het verhaal over het volwassen worden van de jongen, zijn omgang met vriendjes en familieleden, zijn voorzichtige ontdekking van de seksualiteit. Ten slotte is er zijn verhouding met zijn ouders. Het verhaal van zijn schaamtes.

Een gouden kind is, gezien zijn opzet, bijna volmaakt. Een van de weinige bezwaren die je er tegen zou kunnen aanvoeren is dat de leeftijd van het jongetje soms aan wisselingen onderhevig lijkt. Uit zijn woordenschat en stijl krijg je de indruk dat er in hem een paar jongetjes van verschillende leeftijden zijn samengevoegd. Soms is het alsof de jongen in het ziekenhuis nog een lagere schoolkind is dat bang is voor de meester en alles om zich heen nog niet zo goed begrijpt. Dan weer is hij een brutale puber die van een buurvrouw zegt dat ze lijdt aan 'ongezonde nieuwsgierigheid'.

En wanneer hij van een kapper in het ziekenhuis zegt dat hij “een motoriek heeft alsof hij door kleine elektrische schokken wordt aangedreven”, dan hoor ik zelfs geen jongen van vijftien of zeventien meer praten. Dan is het of ik de 53-jarige schrijver zelf hoor.