Wat wij zien en horen

De laatste dag van de meimaand hadden we een excursie met onze klas. Om vijf uur in de ochtend riep onze mama al naar boven: “Op staan jongens! De lieve merels willen gehoord worden.” We stonden meteen een beetje bibberig naast ons bed, want we waren laat gaan slapen omdat we het steeds over die tocht hadden en wat we allemaal zouden zien en beleven.

We wisten ook wel waar die lieve merel van onze mama vandaan kwam. dat is een gedichtje van Jan Hanlo, dat we heel lang geleden uit ons hoofd hebben geleerd. Jullie moeten het ook maar uit je hoofd leren, want het is grappig en heel klein en eenvoudig. Het gaat zo: “Hoor je de merel? De lieve moeder.- Ja ik hoor hem. Het lieve kind.” Onze papa vertelde later dat Jan Hanlo van jongetjes hield. Zoals je van een meisje houdt, je weet wel. Een soort pedofieletje. Maar dat hij heus geen enge man was waar jongens je wel eens voor waarschuwen. Onze ouders hebben ons daar nooit bang mee gemaakt. Onze papa zei altijd dat als iemand aan je zou vragen of hij even je lulletje mocht zien, je met een vrolijk gezicht moest zeggen “Oke, maar dan moet ik nu eerst even snel naar huis, dan kan mijn mama hem in het bad doen en z'n zondagse pakje aantrekken.” Hij zei ook dat Jan Hanlo, die hij een paar keer ontmoet heeft, een hele lieve man was die het zelf nogal beroerd vond dat hij zo was, van die jongetjes enzo, en dat hij veel liever op een dik blozend boerenvrouwtje verliefd was geworden. En dat hij in dat gedicht eigenlijk de lieve moeders waarschuwt om op hun jongetjes te letten, want dat er eigenlijk staat: “Hoor je de kerel?

De lieve moeder.- Ja ik hoor hem. Het lieve kind.” Maar nu verder over de excursie. Na het ontbijt laadde onze papa de fietsen achter in de auto en reed ons naar school. Toen alle sacherijnige ouders waren verdwenen vertrokken wij in een lange sliert achter onze meester aan die heel veel van de natuur weet. We zagen meteen al een paar scholeksters, die je gemakkelijk kan herkennen aan hun felgekleurde oranjerode snavel en poten en wit-zwarte veren. We zagen ook een leeuwerik die zo uit de lucht kwam vallen en ineens in het gras verdwenen was. Anders kijk je er niet zo speciaal naar, maar als er een paar zwaluwen overvliegen terwijl je op excursie bent, roep je om het hardst: “Twee zwaluwen! Boerenzwaluwen, die hebben van die sliertstaartjes!” In het bos kwamen we bij een duister stuk dat we het Dode wc-papieroerwoud noemden, omdat er een onderbroek vol schijt op het mos lag en overal wc-papier. Toen we bij een sloot kwamen waar we over moesten springen stonden er meteen een paar tot aan hun knieen midden in het water. We lagen in een deuk. We zagen ook nog een kleine bonte specht die door een holte in een boom zijn jongen voerde en steeds strontpakketjes uit het nest mee nam omdat die jongen anders in een soort wc zouden komen te liggen met hun donsveertjes. Ondertussen hoorden we ook nog een tuinfluiter en op een weiland zagen we een graspieper rondhippen. Toen we weer op school waren gingen we gauw ons brood opeten dat eigenlijk voor het speelkwartier bestemd was. We dachten dat het zou helpen tegen het vreemde gevoel dat je hebt als je zo vroeg op pad gaat en van alles beleeft. Iedereen was heel stil tijdens de les. En toen er een paar scholeksters overvlogen die luid 'pietepietepiet' riepen, keek niemand op.