Uitkomsten landelijk onderzoek over behandeling; Clienten tevreden over RIAGG's

AMERSFOORT, 7 JUNI. “Een negen! Mensen! Een paar jaar geleden kregen de RIAGG's hoogstens een zeven-min.” Drs. L. Maas, directeur van het Regionaal Instituut voor de Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg (RIAGG) in Amersfoort reageert verrast op de uitkomsten van een landelijke onderzoek naar het oordeel van ex-clienten over hun behandeling bij tien RIAGG's.

Aan het onderzoek, dat is uitgevoerd door het Nederlands Centrum Geestelijke volksgezondheid en dat vanochtend in Den Haag is gepresenteerd, hebben ruim tweeduizend ex-clienten deelgenomen. Zij oordeelden zeer positief (gemiddeld cijfer: een negen) over de manier waarop de hulpverlener met hen en hun problemen is omgegaan. Ook waren zij te spreken over het effect van de behandeling en over de manier waarop zij over die behandeling door de RIAGG-hulpverlener werden genformeerd.

Veel minder was 20 procent van de ondervraagden, in de leeftijd van 16 tot 65 jaar, te spreken over de geringe gelegenheid die clienten wordt geboden om zelf mee te beslissen over het soort behandeling. Ook moeten de RIAGG's meer informatie geven over regels en procedures, over het inzage-recht in dossiers en moet de behandeling vaker tussentijds worden geevalueerd.

Uit het onderzoek blijkt ook dat mensen niet alleen om hulp aankloppen wanneer zij psychisch in de knel zitten maar ook omdat ze met praktische problemen kampen op het gebied van huisvesting of voogdij.

Elf procent van alle ondervraagden vond dat ze voor die problemen te weinig gehoor vonden.

“Dat is niet zo gek. Wij zijn geen huisvestingsbureau en als er problemen met de voogdij zijn moeten mensen naar de voogdijraad,”

zegt Maas. “Het is wat anders als een hulpverlener te maken krijgt met een psychiatrische patient die ook een rugzak met praktische problemen meetorst. Daarvoor worden wel degelijk oplossingen gezocht.”

Voor het eerst is bij het onderzoek gewerkt met een en dezelfde vragenlijst. Vroegere 'tevredenheidsonderzoeken' hadden het manco dat ze op regionaal niveau werden uitgevoerd aan de hand van vragenlijsten die door afzonderlijke RIAGG's waren ontworpen waardoor het vrijwel onmogelijk was de resultaten onderling te vergelijken. Eind jaren tachtig nam de Nederlandse vereniging voor ambulante geestelijke gezondheidszorg het initiatief een gestandaardiseerde vragenlijst te laten ontwikkelen die ook bij volgende onderzoeken kan worden gebruikt.

RIAGG's en wachtlijsten zijn nog steeds synoniem. Vijf jaar geleden voorspelde de Consumentenbond na een onderzoek dat de wachtlijsten per RIAGG met gemiddeld vijftig mensen per dag zou groeien. Maas: “Ze worden steeds groter. We krijgen minder geld terwijl het aantal aanmeldingen toeneemt.” Vorig jaar bedroeg het aantal clienten bij het RIAGG in Amersfoort 39.000, verdeeld over honderd hulpverleners.

In totaal bedraagt het aantal clienten bij de RIAGG in Nederland ruim 350.000.

Uit het landelijke onderzoek blijkt dat ruim de helft van de ondervraagden na de aanmelding maximaal twee maanden moest wachten tot de behandeling kon beginnen. Ongeveer eenderde van de ondervraagden was niet tevreden over de wachttijd, eenderde maakte het weinig uit terwijl de overigen het juist wel prettig vonden dat ze na het eerste gesprek niet meteen aan de beurt waren.

Behalve met wachtlijsten kampten de RIAGG's lang met een niet onverdeeld gunstig imago. Daarin lijkt, althans wat de clienten betreft, verandering te komen. Voor de buitenwacht zijn de RIAGG's goed voor een zeven-min terwijl, aldus Maas er intern al jaren aan wordt gewerkt de kwaliteitsverbetering van de hulpverlening op te schroeven.

Maas: “De beeldvorming loopt nog steeds achter bij de werkelijkheid. De RIAGG's hebben sinds hun ontstaan onder een spervuur van kritiek gelegen. We schoten te kort, we waren niet adequaat genoeg. Maar we moeten ook zoveel: we moeten aids-slachtoffers opvangen, incestslachtoffers, asielzoekers, WAO'ers, doof geborenen, kinderen van foute ouders, psychisch gestoorden en ga maar door. Je moet tegenwoordig bijna vijf talen spreken en van de cultuur van asielzoekers op de hoogte zijn wil je iets voor ze kunnen doen. Elke doelgroep vereist een specialisatie en inderdaad: daarin schieten we tekort, maar wij zijn ook geen schapen met vijf poten.” Om frustraties bij de hulpverlener en de client te voorkomen zullen, aldus Maas, grenzen moeten worden gesteld. Zal een antwoord moeten komen op de vraag wie wel en wie niet bij een RIAGG terecht kan. “We zullen moeten kiezen. Een echtpaar met eenvoudige relatieproblemen moet doorverwezen worden naar een maatschappelijk werker, niet naar een psycholoog die zijn handen al vol heeft aan incestslachtoffers of aan mensen met ernstige persoonlijkheidsstoornissen.”