Twijfel over hogere belasting voor huis knaagt aan politiek

DEN HAAG, 7 JUNI. Gaat het huurwaardeforfait omhoog? Zelfs nu de Tweede Kamer gisteravond tegen elven met een grote meerheid het desbetreffende wetsvoorstel aanvaardde, blijft het hoogst onzeker of huiseigenaren-bewoners inderdaad meer belasting moeten betalen. De Eerste Kamer, die een eerder voorstel in die richting van de hand wees omdat de CDA-senatoren tegen stemden, moet nu opnieuw beslissen. En dat ook nog voor 1 juli.

Het kabinet hanteert nu een nieuw argument: de sanering van de overheidsfinancien. De PvdA gaf in februari, in het kader van de Tussenbalans, de voorkeur aan lastenverhoging. Het CDA wilde liever bezuinigen. Eenderde van de rijkssubsidies gaat naar de volkshuisvesting, dus die bezuinigingspost lag voor de hand. Maar lagere subsidies leiden tot hogere huren. De PvdA bedong daarom dat ook de eigenaar-bewoners een duit in het zakje moeten doen. Dus moet het huurwaardeforfait omhoog.

Fiscaal-theoretisch valt er op deze redenering wel het een en ander af te dingen. Maar bij een grote meerderheid van de Tweede Kamer geeft, zo bleek gisteren tijdens het debat over het desbetreffende wetsvoorstel, een ander argument de doorslag. Dat komt erop neer dat, wie in het kader van een sanering van de overheidsfinancien (de Tussenbalans) de huurders laat betalen, de eigenaar-bewoners niet ongemoeid kan laten.

VVD-woordvoerder De Korte sprak in dit verband van misplaatste “inkomenspolitiek”. Daar zat wat in. Maar is het zo onredelijk om bij ombuigingsoperaties rekening te houden met de gevolgen voor de diverse sectoren in de samenleving? De meerderheid van de Kamer vond van niet. Niet alleen de regeringspartijen PvdA en CDA, maar ook D66, de kleine christelijke partijen en Groen Links waren van mening dat, als de huren stijgen, ook het huurwaardeforfait omhoog moet.

Het huurwaardeforfait is en blijft niet alleen politiek maar ook maatschappelijk een omstreden zaak. Dat heeft niet alleen te maken met het percentage bezitters van een eigen huis bij de kiezers van de diverse partijen, maar ook met het begrip als zodanig. Waarom moet iemand die woont in een eigen huis meer belasting betalen dan huurders?

Omdat, zo luidt de fiscale redenering, het bezit van een eigen huis niet alleen een vorm van consumptie is maar ook een vorm van belegging. De 'belegger' krijgt als rendement 'woongenot'. Dat is dus immaterieel inkomen en dat moet volgens artikel 34 van de Wet op de inkomenstenbelasting 1964 tot het fiscale inkomen worden gerekend.

Maar hoe groot is dat woongenot? Daartoe wordt gekeken naar de huren die voor vergelijkbare woningen moeten worden betaald. Dat 'rendement' wordt vervolgens voor een reeks factoren gecorrigeerd, waaronder de afschrijvingen en de onderhoudskosten. Bovendien is het eigen huis niet alleen, of zelfs niet in de eerste plaats, een belegging maar ook een vorm van consumptie. Dit cijfercircus leverde tot dusver een huurwaardeforfait op van 1,8 procent van de waarde van de woning in bewoonde staat. De uitkomst was bewust aan de lage kant gehouden, om het eigen woningbezit te bevorderen.

Met een aantal jaarlijkse huurverhogingen van 5,5 procent (gecorrigeerd voor inflatie 3,0 procent) in het verschiet wil het kabinet het forfait verhogen tot 3,3 procent van de waarde van de woning in bewoonde staat in 1994. Maar zelfs als het huidige wetsvoorstel door de Senaat wordt aanvaard en in het Staatsblad verschijnt, is het de vraag of het zover komt. Niet alleen de oppositie, maar ook het CDA heeft grote twijfels over de cijfermatige veronderstellingen die het kabinet maakt. Vandaar dat staatssecretaris Van Amelsvoort, zij het pas na herhaald aandringen, gisteravond toezegde dat de stijgingspercentages die in het wetsvoorstel staan zo nodig kunnen worden aangepast. De discussie is nog lang niet gesloten.