Roman over kinderen in Afrika; Ik ben niet de zon, maar de aarde

Adam Zameenzad: Mijn vriend Matt en Hena de hoer. Vert. door Annelies Roskam. Uitg. Van Gennep, 273 blz. Prijs (f) 39,50.

Engeland heeft geboft met zijn Empire: de ene na de andere prachtschrijver van overzee gaat er wonen. Ook Adam Zameenzad woont er, de zoveelste parel in de kroon. Hij is een typisch Britse auteur: van Pakistaanse afkomst, geboren en getogen in Oost-Afrika, heeft gestudeerd in Pakistan, gereisd door Europa en Amerika en hij is nu leraar aan een middelbare school in Essex. Ik zou graag bij hem in de klas zitten: hij weet alles van aardrijkskunde, biologie, godsdienst en maatschappijleer, hij heeft gevoel voor humor en kan prachtig vertellen. En bovendien heeft hij respect voor kinderen.

Mijn vriend Matt begint als een spannend jongensboek. Drie jongens van een jaar of negen en het kattige meisje Hena, in een dorpje ergens in Afrika, besluiten stiekem naar de jaarmarkt in een provincieplaats te gaan om de dans der lichtgeesten bij te wonen. Hun tocht (twintig uur lopen) verandert al spoedig in een verschrikking: ze ontdekken een schuilplaats van het leger, weten een gemartelde guerrillastrijder te bevrijden en blazen per ongeluk een munitiedepot op. Van de dans der lichtgeesten komt niet veel terecht; in plaats van geesten dalen er kogels neer, afgeschoten vanuit legerhelikopters.

In wat voor vreselijk land leven deze kinderen? In de vier jaar die het boek bestrijkt ontstaat er hongersnood door langdurige droogte. De regering bestrijdt op grove wijze guerrillagroepen en vernietigt achteloos burgers die, op zoek naar water en weidegrond, tussen de strijdende partijen terecht zijn gekomen.

De kinderen beproeven hun geluk tenslotte in de grote stad, waar Hena, amper dertien en nauwelijks meer dan een skelet, het weet te brengen tot maitresse van een generaal (een pedofiele necrofiel, zoals een bijdehandje uit de stad cynisch opmerkt). De jongens willen terug naar hun dorp en sterven na mishandeling door soldaten.

KRIMPEN

Het boek is overtuigend geschreven vanuit het perspectief van een kind. De ik-verteller Kimo, een van de jongens, zien we opgroeien van negen tot dertien jaar. Opgroeien is eigenlijk het woord niet. Kimo, die altijd zo trots was op zijn lijf, constateert laconiek: “Ik ben niet zo groot en sterk geworden als Mam zei. Mijn armen en benen zijn eigenlijk dunner dan een jaar geleden -. Maar ik ben nog steeds groter dan Golam, omdat hij meer gekrompen is dan ik.” De honger houdt aan, en de jongens krimpen dus verder tot de dood erop volgt. In geestelijk opzicht daarentegen worden zij in de vier jaar ouder dan de meesten van ons ooit zullen worden.

Kimo vertelt alles in de tegenwoordige tijd, hoewel het duidelijk om herinneringen gaat. Dat komt vaker voor. Het dreigt echter wel erg merkwaardig te worden wanneer de verteller in de tegenwoordige tijd over zijn eigen dood verhaalt. De laatste bladzijde biedt de sleutel: daar wordt de dode Kimo 'wakker gemaakt' door zijn eerder gestorven vriendje Matt. Hij bevindt zich dan in een soort paradijs, een rijk der zalige geesten waar het zelfs regent. Uit die laatste bladzijde blijkt dat hij ons alles heeft vertelt van gene zijde. “Ik voel me weer als een boom. En waarom niet? In onze familie zijn ze tenslotte geesten van bomen.” Zo is de dood een restitutie, een herstel in de oorspronkelijke toestand. Vanuit dat perspectief is leeftijd noch werkwoordstijd meer van belang.

De mensen mogen dan geesten zijn, met lichamelijke functies zijn de jongens voortdurend bezig. Eten moet ze wel obsederen, maar er wordt opvallend discreet over gesproken. Dansen is heel belangrijk. Poepen en scheten laten zijn vooralsnog interessanter dan seks, maar ze willen wel graag weten of blanken echt drie ballen hebben, zoals zij menen te zien op een onduidelijke pornofoto. Zelf komen ze aan seks niet meer toe; weliswaar krijgen ze er de leeftijd voor, maar als Kimo erachter komt dat blanken toch maar twee ballen hebben heeft hij er zelf bijna helemaal geen meer, zo uitgeteerd is hij dan al.

HEKS

Al wat mensen doen hangt af van de geest die zij zijn. Hena is geen kwaaie meid, maar alles wat zij onderneemt pakt verkeerd uit. Zij is nu eenmaal de geest van een heks. Het jongetje Golam is moslim, lief en mooi, maar ook bang en nogal geestloos. Kimo zou graag naast hem gaan liggen, 'maar dat hoort geloof ik niet'. Het komt er pas van als hij al gecrepeerd is. Kimo wil een kruis op zijn borst leggen, van zand, maar dat waait weg. “Dan krijg ik een idee. Ik veeg wat poep van Goelams dijen af. Het is nog steeds warm en vers. Ik maak een kruis van poep op Golams borst. Het blijft zitten. Door het bloed in de poep ziet het er echt aardig uit.” Hij gaat naast hem liggen en valt zelf ook heel tevreden in slaap.

Een kruis op een dode moslim? Ja, zo zou Matt het gedaan hebben, het derde jongetje. Hij is de grootste geest in dit boek. Hij is christen en praat soms als Jezus. Hij heeft meer dan gewone kennis van de dingen, hij bevrijdt gevangen dieren, spreekt valse honden en wrede mensen bestraffend toe en ze gehoorzamen hem verbaasd. Hij geneest zieken, heeft een zekere macht over de gebeurtenissen, en als hij omkomt bij een brand lijkt hij te worden gehaald door engelen.

“Ik ben niet de zon”, zegt hij, “maar de aarde. Ik schijn alleen als die schijnt. Ik heb geen licht van mezelf.” Hij is dus een middelaar, die mens en dier in zijn lichtkegel trekt. Als hij dood gaat, vindt er een transfiguratie plaats. “Jij moet het nu overnemen”, zegt hij in het geestenrijk tegen de verteller. “Jij bent nu de aarde en de aarde is van jou. Ik zal op je schijnen als je donker bent.” Matt is nu het licht zelf geworden, en het is voortaan de taak van de verteller, dat te weerkaatsen. Wat hij doet door zijn verhaal te vertellen. Dit is nogal zware stof, die echter een tegenwicht vindt in Kimo's eenvoud en humor.

Zameenzad doet precies het tegenovergestelde van wat televisie en kranten doen, die ons beelden van uitgemergelde kindertjes tonen. Hij fotografeert zijn personages niet, hij luistert naar hen en respecteert ze tot het einde. Door de mond van zijn verteller geeft hij ons les over het leven en er valt nog bij te lachen ook.