Ritzen wil universiteit anders betalen; Geld voor universiteit wordt gekoppeld aan jaarlijkse prestaties

ROTTERDAM, 7 JUNI. Minister Ritzen (onderwijs) houdt ondanks bezwaren van universiteiten en hogescholen vast aan zijn plan het hoger onderwijs te financieren op basis van de jaarlijkse studieresultaten van studenten in plaats van vooral op grond van de studentenaantallen.

Dit blijkt uit het concept van de maatregel van bestuur waarmee de minister een nieuw verdeelmodel van de rijksbijdrage voor het hoger onderwijs wil regelen. Hij heeft dit vandaag gepubliceerd, eind juni zal het worden besproken met universiteiten en hogescholen. Die hebben zich tot dusver fel verzet tegen financiering op basis van cursusjaren. Zij vrezen dat zij dan te veel informatie moeten verstrekken. Bovendien leidt het tot een ingrijpend andere opzet van het onderwijs, zo menen ze.

Ritzen is bereid het nieuwe financieringsstelsel pas in te voeren als de administraties van de universiteiten betrouwbare informatie over de studievoortgang kunnen leveren. In de tussentijd financiert hij elke ingeschreven student vier jaar lang en betaalt hij een kwart van dat bedrag per uitgereikte diploma.

De minister houdt ook vast aan het uitgangspunt universiteiten en hogescholen hetzelfde bedrag per student te betalen. De universiteiten vinden dat zij een hoger bedrag moeten krijgen dan de hogescholen.

Ritzen onderscheidt daarbij wel twee niveaus. Voor 'dure' studenten (studenten die een beta-, medische of technische opleiding volgen) krijgen universiteiten meer geld dan voor studenten in 'goedkopere'

studierichtingen. Hoe hoog de bedragen zijn zal afhangen van het geld dat jaarlijks beschikbaar is voor het hoger onderwijs in de onderwijsbegroting.

Het nieuwe financieringsstelsel is gebaseerd op het advies van een extern bureau uit januari 1990. De minister zou prestaties van onderwijsinstellingen moeten belonen in plaats van louter het aantal studenten als uitgangspunt te nemen. Op dit moment geeft hij voor elke opleiding een vast bedrag en daarnaast wisselende bedragen voor elke student. De minister werd geadviseerd alleen te betalen voor het aantal beginnende studenten in het eerste studiejaar en vervolgens pas weer wanneer de studenten hun diploma halen.

De universiteiten en hogescholen waren daar tegen omdat ze dan ten minste drie jaar - tussen eerste jaar en afstuderen - de kosten van het onderwijs zelf zouden moeten 'voorschieten'. Ritzen voelde zelf ook niet veel voor deze variant, omdat die geen recht zou doen aan de inspanning van universiteiten en hogescholen voor studenten die halverwege hun studie een baan krijgen en de opleiding dus niet afronden. Hij geeft daarom de voorkeur aan een koppeling van de financiering aan de studieresultaten per jaar.

Ritzen verwacht wel dat het nieuwe systeem de schaalvergroting in het hoger onderwijs stimuleert, omdat het voor grote instellingen voordeliger is dan voor kleine. De minister stelt ook voor het unversitaire onderzoek anders te financieren. Hooguit twintig procent van het voor het onderzoek beschikbare bedrag wordt verdeeld op basis van het aantal studenten. Zo'n driekwart van het budget wil de minister verdelen over onderzoek dat kwalitatief als goed is beoordeeld.